Wees rechtvaardig

إِنَّ اللَّـهَ يَأْمُرُكُمْ أَن تُؤَدُّوا الْأَمَانَاتِ إِلَىٰ أَهْلِهَا وَإِذَا حَكَمْتُم بَيْنَ النَّاسِ أَن تَحْكُمُوا بِالْعَدْلِ إِنَّ اللَّـهَ نِعِمَّا يَعِظُكُم بِهِ إِنَّ اللَّـهَ كَانَ سَمِيعًا بَصِيرًا

 

wa-ˈiḏā ḥakamtum bayna n-nāsi ˈan taḥkumū bi-l-ʿadli

 

Voorwaar, Allah gebiedt jullie de toevertrouwde (zaken) aan haar eigenaren te geven, en wanneer jullie tussen de mensen oordelen, oordeel dan met rechtvaardigheid. Voorwaar, Allah onderwijst jullie hiermee op de beste wijze. Voorwaar, Allah is Alhorend. Alziend.

 

an-nisāˈ 4, 58

  • 20 februari 2020

We hebben in Hoofdstuk 4 kunnen zien hoe belangrijk rechtvaardigheid is in de islam. Veel verzen spreken daarover en in dit vers wordt het nogmaals benadrukt.

Er zijn een aantal overleveringen over de reden van de openbaring van dit vers. Volgens al-Wāhidī is het gedrag van ‘Uthmān b. Ṭalḥa de directe aanleiding. In zijn boek met de omstandigheden van de openbaring beschrijft hij de situatie als volgt. Na de verovering van Mekka had ‘Uthmān b. Ṭalḥa de Kaäba[1] op slot gedaan en klom hij op het dak. De profeet Mohammed (vzmh) vroeg om de sleutels van de Kaäba en er werd tegen hem gezegd dat deze bij ‘Uthmān waren. De mensen vroegen ‘Uthmān om de sleutels, maar hij weigerde ze te geven en zei: ‘’Als ik maar overtuigd was dat hij de boodschapper van Allah is, dan zou ik niet weigeren.’’ Hij bedoelde hiermee dat hij niet geloofde dat Mohammed (vzmh) een profeet was, want ‘Uthmān was namelijk geen moslim. Hierop pakte ‘Alī b. Abī Ṭālib de sleutel en opende de deur. De boodschapper van Allah ging naar binnen en bad. Eenmaal vertrokken uit de Kaäba vroeg al-‘Abbās, dat is de oom van de profeet (vzmh),  aan de profeet Mohammed (vzmh) om de sleutels. Hij wilde graag de verantwoordelijke zijn van de Kaäba, dat was een zeer grote eer. Daarop liet Allah het volgende vers neerdalen: ‘’Voorwaar, Allah gebiedt jullie de toevertrouwde (zaken) aan hun eigenaren terug te geven.’’ Vervolgens gaf de profeet Mohammed (vzmh) aan ‘Alī de opdracht om de sleutels terug te geven aan ‘Uthmān en zich aan hem te verontschuldigen. ‘Alī voerde die opdracht uit en ‘Uthmān was stond daarover zeer verbaasd. Het was natuurlijk iets bijzonders, want hij kreeg als niet-moslim de sleutels van de Kaäba.[2] Hij antwoordde ‘Alī dat hij hem onheus had bejegend maar dat ‘Alī hem nu toch vriendelijk de sleutels kwam brengen. ‘Alī zei hierop: “Allah heeft een vers geopenbaard omwille van jouw situatie” en reciteerde dat meteen. Hierop bekeerde ‘Uthmān zich.[3] Al-Qurtubī levert over dat ‘Umar b. al-Khattab zei: ‘’Ik had dit vers nog nooit gehoord.’’[4]

Ibn ‘Abbās levert over dat het vers over een andere gebeurtenis gaat. Hij vermeldt het verhaal waarin een huichelaar en een jood een meningsverschil hadden en dat vervolgens de profeet Mohammed (vzmh) de jood gelijk gaf.[5] Fakhr al-Dīn Rāzī daarentegen haalt wel het verhaal aan van ‘Uthmān b. Ṭalḥa maar voegt eraan toe dat het gebod in dit godsvers niet louter en alleen op die gebeurtenis van toepassing is. Dus voor een goede verstaander: alle toevertrouwde zaken dienen aan de eigenaren gegeven te worden, wat hun aard ook is.[6] Ibn ‘Ajība zegt dat er in dit vers ook een wenk zit voor de ascetische geleerden, namelijk dat zij geheimen doorgeven aan hun studenten wanneer die er klaar voor zijn en niet eerder, en verder dat de geleerden hun studenten rechtvaardig moeten behandelen.[7]

Deze gebeurtenissen en exegesen laten ons zien dat men altijd rechtvaardig moet zijn. Als een moslim en een niet-moslim discussiëren en de niet-moslim heeft gelijk, dan moet die laatste zijn gelijk krijgen. Dat is hetgeen Allah heeft willen benadrukken met dit vers. Vervolgens herinnert Allah aan de mensen dat de zaken die Hij opdraagt heel nobel zijn. Allah beveelt zowel om de toevertrouwde dingen terug te geven aan de eigenaren en wil tevens dat de mensen rechtvaardig zijn.[8]

[1] Het zwarte gebouw dat staat in de moskee van Mekka.

[2] Abu al-Hasan , al-Wāḥidī, Asbāb Nuzūl al-Qur’ān. Beiroet, Dār al-Kutub al-‘Ilmiyya, 1411, d. 1, p. 162.

[3]

[4] Abū ‘Abd Allah al-Qurtubī, al-Jāmī’ li al-Ahkām al-Qur’ān. Caïro, Dār al-Kutub al-Misriyya, 1964, d. 5, p. 255.

[5] Muḥammad al-Sābūnī, Safwat al-Tafāsīr. Caïro, Dar al-Sābūnī, 1997, d. 1, p. 261.

[6] Fakhr al-Dīn, al-Rāzī, Mafātīh al-Ghayb. Beiroet, Dar-Ihya Turath al-Arabi, 1998, d. 10 p. 109.

[7] Abū al-‘Abbās, ibn ‘Ajība, al-Baḥr al-Madīd. Cairo, Hasan ‘Abbās Zaki, 1419, d. 1, p. 517.

[8] Naṣr al-Dīn, al-Baydawi, Anwar al-Tanzīl wa Asrar al-Ta’wīl. Beiroet, Dar Ihyā al-Turath al-‘Arabī, 1996, d. 2, p. 80.

Ismāʿīl Ḥaqqī al-Brūsawī (1653 – 1725)

[…] فلما خرج رسول الله سأله العباس أن يعطيه المفتاح ويجمع له السقاية والسدانة فنزلت الآية فأمر عليا أن يرده إلى عثمان ويعتذر إليه

Dit vers werd geopenbaard omwille van ʿUṯmān ibn ʿAbd al-Dār die verantwoordelijk was voor het onderhoud van het heilige Huis, de Kaʿba[1]. De context was als volgt. Toen Mekka door de moslims in 630 werd ingenomen, wilde de profeet de Kaʿba openen om binnen te bidden. Maar ʿUṯmān, die nog altijd niet overtuigd was dat Mohammed een profeet was, weigerde hem de sleutels te overhandigen. Daarom pakte ʿAlī ibn Abī Ṭālib hem de sleutels uit handen en kon de profeet de deur openen. Toen ze terug naar buiten gingen, eiste al-ʿAbbās, de oom van de profeet, het huismeesterschap op. Op dat moment werd het vers geopenbaard en beval de profeet aan ʿAlī om de sleutels aan ʿUṯmān terug te geven, omdat hij er het recht op had. Die laatste vroeg aan ʿAlī: « Ik weiger en zit jou in de weg, en jij gaat vriendschappelijk met mij om? ». ʿAlī antwoordde : « Allah heeft een vers over jou geopenbaard». Hij reciteerde hem het vers en ʿUṯmān bekeerde zich tot de islam. (B. 2 Page 227)

 

Wahba al-Zuḥaylī (1932 – 2015)

العدل أساس الملك وأمر تقتضيه الحضارة والعمران والتقدم، وتشيد به كل العقول، وأصل من أصول الحكم في الإسلام

Gerechtigheid is de basis van cultuur en vooruitgang. Ze vormt de geesten en legt een fundament van wijsheid in de islam. De samenleving heeft nood aan gerechtigheid dat eenieder, zelfs de zwakste, van zijn recht kan genieten, zodat vrede en orde zich stichten. Daarom hebben de goddelijke wetten gelijkheid voor allen verplicht, waardoor de persoonlijke rechten eerbiedigd zijn. We kunnen andere verzen toevoegen die dezelfde richting uitgaan zoals:

(إِنَّ اللَّـهَ يَأْمُرُ بِالْعَدْلِ وَالْإِحْسَانِ وَإِيتَاءِ ذِي الْقُرْبَىٰ وَيَنْهَىٰ عَنِ الْفَحْشَاءِ وَالْمُنكَرِ وَالْبَغْيِ ۚ يَعِظُكُمْ لَعَلَّكُمْ تَذَكَّرُونَ)

«God gebiedt rechtvaardig te handelen, goed te doen en aan verwanten giften te geven. En hij verbiedt wat gruwelijk, verwerpelijk en gewelddadig is. Hij spoort jullie aan; misschien laten jullie je vermanen.»[2]

Of ook:

(وَإِذَا قُلْتُمْ فَاعْدِلُوا وَلَوْ كَانَ ذَا قُرْبَىٰ ۖ وَبِعَهْدِ اللَّـهِ أَوْفُوا ۚ ذَٰلِكُمْ وَصَّاكُم بِهِ لَعَلَّكُمْ تَذَكَّرُونَ)

« En als jullie een uitspraak doen, wees dan rechtvaardig, zelfs als zou het een verwant betreffen. »[3]

Ook wordt verteld dat de profeet heeft gezegd: « Zolang mijn gemeenschap waarachtig, rechtvaardig en barmhartig blijft, gaat het mijn Umma goed. »[4]

(B. 3 Page 130)

 

Nāṣir Mukārim al-Šayrāzī (geboren in 1926)

[…] أنّ صبيين ترافعا إلى الإمام الحسن بن علي في خط كتباه وحكّماه في ذلك ليحكم أيّ الخطين أجود، فبصر به عليّ فقال: “يا بنيّ أُنظر كيف تحكم فإنّ هذا الحكم والله سائلك عنه يوم القيامة

Allah vermeldt hier twee fundamentele wetten. In het begin van het vers legt hij uit dat de gelovigen de inbewaringhouding van niemand mogen schenden, moslim of niet. Daarna vermeldt hij de billijkheid bij het oordeel. Dat laatste omvat allerlei kwesties, wat hun belang ook is. We lezen bijvoorbeeld in de islamitische geschiedenis het verhaal van twee jongemannen die imam al-Ḥasan ibn ʿAlī gingen bezoeken. Ze wilden hun beider geschriften tonen om te weten welke de beste was. Na ze beide te hebben bekeken zeiʿAlī al-Hasan aan zijn zoon: « Mijn kind, let goed op je oordeel want Allah verhoort je erover op de dag van de verrijzenis ». Een maatschappij moet gevestigd zijn op twee principes om gezond en recht te zijn: het beschermen van de bewaargeving en de rechtvaardigheid (3, p. 147).

[1] Een belangrijk sociale positie.

[2] De bijen (al-Naḥl), Soera 16 Vers 90.

[3] Het vee (al-Anʿām), Soera 6 Vers 152.

[4] Hadith overgeleverd door Anas ibn Mālik, de dienaar van de profeet die gerekend wordt tot de grootste Hadith-overleveraars.

 

Dit zegt de HEER: Handhaaf recht en gerechtigheid, red wie beroofd werd uit de handen van zijn onderdrukker, buit vreemdelingen, weduwen en wezen niet uit, pleeg geen geweld tegen hen, vergiet in deze stad geen onschuldig bloed.  Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden en wanneer jullie tussen de mensen oordelen, oordeel dan met rechtvaardigheid
כה אמר יהוה עשו משפט וצדקהוהצילו גזול מיד עשוק וגר יתוםואלמנה אל תנו אל תחמסו ודםנקי אל תשפכו במקום הזה μακάριοι οἱ πεινῶντες καὶ διψῶντες τὴν δικαιοσύνην, ὅτι αὐτοὶ χορτασθήσονται إِنَّ اللَّـهَ يَأْمُرُكُمْ أَن تُؤَدُّوا الْأَمَانَاتِ إِلَىٰ أَهْلِهَا وَإِذَا حَكَمْتُم بَيْنَ النَّاسِ أَن تَحْكُمُوا بِالْعَدْلِ
kōh ’ā·mar Yah·weh ‘ă·śū miš·pāṭ ū·ṣə·ḏā·qāh wə·haṣ·ṣî·lū ḡā·zūl mî·yaḏ ‘ā·šō·wq wə·ḡêr yā·ṯō·wm wə·’al·mā·nāh ’al-tō·nū ’al-taḥ·mō·sū wə·ḏām nā·qî ’al-tiš·pə·ḵū bam·mā·qō·wm haz·zeh Idōn de τοὺς ochlous Anebē eis τὸ oros kai kathisantos autou prosēlthan autō hoi mathētai autou ˈinna llāha yaˈmurukum ˈan tuˈaddū l-ˈamānāti ˈilā ˈahlihā wa-ˈiḏā ḥakamtum bayna n-nāsi ˈan taḥkumū bi-l-ʿadli
Jeremia 22:3 Mattheüs 5:6 Quran 4:58