Wees goed tegenover de anderen

19 februari 2020

إِنَّ اللَّـهَ يَأْمُرُ بِالْعَدْلِ وَالْإِحْسَانِ وَإِيتَاءِ ذِي الْقُرْبَى وَيَنْهَى عَنِ الْفَحْشَاءِ وَالْمُنكَرِ وَالْبَغْيِ يَعِظُكُمْ لَعَلَّكُمْ تَذَكَّرُونَ

 

ˈinna allāha yaˈmuru bi-l-ʿadli wa-ˈītāˈi 

 

Allah beveelt rechtvaardigheid en het goede en het geven aan de verwanten en Hij verbiedt de zedeloosheid en het verwerpelijke en de opstandigheid. Hij onderricht jullie, hopelijk zullen jullie je laten vermanen.

 

an-naḥl 16, 90

 

Dit vers geeft de kern van de islam heel mooi weer: het goede doen en rechtvaardig zijn. At-Tabarī levert over dat een metgezel van de profeet Muhammad (vzmh), ‘Abdullah b. Mas’ūd zei: ‘’Het meest alomvattende vers in de Koran is het vers in hoofdstuk an-Nahl: Allah beveelt er rechtvaardigheid en het goede en dergelijke.’’ [1] Al-Qushayrī voegt er aan toe dat die rechtvaardigheid op meerdere vlakken geldt. Vooreerst de rechtvaardigheid tegenover Allah, door onder andere Zijn geboden op te volgen. Verder ook rechtvaardig zijn tegenover de mensheid, door onder andere de mensen het goede te adviseren, ze niet te bedriegen en niemand kwaad te doen noch met woorden noch met daden.[2]

Een groep metgezellen van de profeet Mohammed (vzmh) was geëmigreerd naar Ethiopië om de onderdrukking van de polytheïsten te ontvluchten. Daarop probeerden de polytheïsten om de moslims in een slecht daglicht te stellen, zodat de negus van Ethiopië hen zou uitleveren. Hij liet echter de moslims bij hem komen om zelf te oordelen over de zaken die de ronde deden. Eenmaal aangekomen, nam Ja’far ibn abī Tālib het woord, de neef van de profeet Muhammad (vzmh). Hij zei: “Koning, wij waren een onwetend volk, wij aanbaden afgodsbeelden, wij aten onrein vlees en bedreven ontucht, wij verbraken de familiebanden, wij verwaarloosden de gasten en de sterken van ons buitten de zwakken uit. Zo was het met ons gesteld, tot Allah een boodschapper zond uit ons midden, wiens komaf, eerlijkheid, betrouwbaarheid en integriteit wij kenden. Hij riep ons op alleen één God te aanbidden en afstand te doen van de stenen en beelden die onze voorouders hadden aanbeden. Hij beval ons de waarheid te spreken, onze verplichtingen na te komen, de familiebanden te eerbiedigen, behulpzaam te zijn richting onze buren, vreemdelingen te beschermen en ver te blijven van misdaden en bloedvergieten. Hij verbood ons ontucht te bedrijven en te liegen, het bezit van de wezen aan onszelf toe te eigenen en kuise vrouwen vals te beschuldigen. God alleen moesten wij aanbidden en anders niets; hij verplichtte ons het gebed, de aalmoes en de vasten en wij beleden dat hij de waarheid sprak, wij geloofden in hem en wij volgden de boodschap van God die hij bracht. Voortaan dienden wij dus God alleen en niets anders; wij hielden voor verboden wat hij verboden noemde en beschouwden als geoorloofd wat hij geoorloofd verklaarde. Onze stamgenoten vielen ons aan en zetten ons onder druk: zij probeerden ons van onze godsdienst af te brengen en ons ertoe over te halen dat wij weer beelden zouden gaan aanbidden in plaats van God, en onze wandaden van vroeger weer als geoorloofd zouden beschouwen. Toen zij tot geweld overgingen en het ons onmogelijk maakten onze godsdienst uit te oefenen zijn wij in onze nood uitgeweken naar uw land; wij zijn liever bij u dan ergens anders, wij genieten hier uw bescherming en wij hopen, Koning, dat ons bij u geen onrecht zal overkomen.’[3]

Ja’far geeft hier heel mooi de kern van de islam weer, een heel ander beeld dan wat bij de meesten op zou komen als zij over de islam horen.

 

[1] Isma’īl Ibn Kathīr. Tafsīr al-Qur’ān al-‘Adhīm. Riyad, 1999. Deel 4, pagina 596.

[2] ‘Abd al-Latīf  Al-Qushayrī, Latāif al-Ishārāt. Caïro, 2000. Deel 2, pagina 314.

[3] Ibn al-Hishām, ‘Abd al-Malik. Al-Sīrat al-Nabawiyyah. Caïro, 1955. Deel 1, pagina 336.

Ismāʿīl Ḥaqqī al-Brūsawī (1653 – 1725)

الواجب معرفة الوسط في كل شيء فان القصد ممدوح والافراط والتفريط مذمومان

De gelovige moet altijd het pad volgen van de gulden middenweg. Hij moet aan de anderen maar ook aan zijn lichaam het recht verlenen dat hij verschuldigd is. Toen men bijvoorbeeld vroeg aan de profeet of het goed was om ononderbroken te vasten en de hele nacht door te bidden, antwoordde hij: « Je lichaam heeft een recht op jou, net als je vrouw of je buur. Vast en breek de vasten, bid en slaap. » De profeet vroeg ook aan ʿUmar de reden waarom hij de Koran met luide stem opzegde. Nadat die laatste hem verteld had dat hij zo de sufferds wilde wekken en daarmee de duivel kon verjagen, gebood hij ʿUmar om een beetje zachter te spreken. (rūḥ al-bayān fī tafsīr al-qurʾān, B. 5, p. 70)

 

Wahba al-Zuḥaylī (1932 – 2015)

هذه الآيات دعائم الحياة الإسلامية وركائز المجتمع الإسلامي

Deze verzen beschermen het leven en vormen de grondgedachte van elke islamitische maatschappij. In het eerste vers (dat ons nu interesseert), geeft Allah het bevel om in alles rechtvaardig te zijn: in de handelsrelaties, de rechtszaken, de aangelegenheden al dan niet met religie verbonden en in onze betrekkingen met de ander. (al-tafsīr al-munīr, B. 7, p. 537)

 

Nāṣir Mukārim al-Šayrāzī (geboren in 1926)

يمكن تشبيه المجتمع ببدن إنسان واحد فإنه سيمرض ويعتل إن لم يراع فيه العدل […] والإحسان

De leden van eenzelfde gemeenschap zijn als één enkel lichaam. Elk vervult zijn eigen taak en heeft zijn eigen werk. Daarover gaat het bij een billijk en eerlijk verloop (al-ʿadl). Daartegenover staat dat wanneer een lid van de gemeenschap niet meer in staat is de hem toebedeelde taak te realiseren, hij andermans hulp behoort te ontvangen. Zo hindert hij de goede voortgang van de gemeenschap niet. Dat is de weldadigheid (al-iḥsān). Elke gemeenschap moet over die twee fundamenten beschikken om goed te functioneren. Bijstand aan je naasten behoort tot dat goede handelen, en die steun betreft dan niet alle leden van de maatschappij maar is enkel op de verwanten gericht. (al-amṯal fī tafsīr kitāb Allāh al-munazzal, B. 7, p. 130)

Op deze site vind je een lijst met superhelden die de wereld redden en goed zijn voor anderen, en tegelijkertijd ook moslim zijn.

Dit zegt de HEER: Handhaaf recht en gerechtigheid, red wie beroofd werd uit de handen van zijn onderdrukker, buit vreemdelingen, weduwen en wezen niet uit, pleeg geen geweld tegen hen, vergiet in deze stad geen onschuldig bloed.Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.Allah beveelt rechtvaardigheid en het goede en het geven aan de verwanten en Hij verbiedt de zedeloosheid en het verwerpelijke en de opstandigheid. Hij onderricht jullie, hopelijk zullen jullie je laten vermanen.
כה אמר יהוה עשו משפט וצדקה והצילו גזול מיד עשוק וגר יתום ואלמנה אל תנו אל תחמסו ודם נקי אל תשפכו במקום הזהΠάντα οὖν ὅσα ἐὰν θέλητε ἵνα ποιῶσιν ὑμῖν οῖ ἄνθρωποι οὕτως καὶ ὑμεῖς ποιεῖτε αὐτοῖς οὗτος γάρ ἐστιν ὁ νόμος καὶ οἱ προφῆται.إِنَّ اللَّـهَ يَأْمُرُ بِالْعَدْلِ وَالْإِحْسَانِ وَإِيتَاءِ ذِي الْقُرْبَى وَيَنْهَى عَنِ الْفَحْشَاءِ وَالْمُنْكَرِ وَالْبَغْيِ يَعِظُكُمْ لَعَلَّكُمْ تَذَكَّرُونَ
Kōh ’āmar Yahweh ‘ăśū mišpāṭ ūṣəḏāqāh, wəhaṣṣîlū ḡāzūl mîyaḏ ‘āšōwq; wəḡêr yāṯōwm wə’ almānāh ’al-tōnū ’al-taḥmōsū, wəḏām nā-qî, ’al-tišpəḵū bammāqōwm hazzehPánta oún ósa eán thélite ína poiósin ymín oí ánthropoi oútos kaí ymeís poieíte aftoís oútos gár estin o nómos kaí oi profítai.ˈinna llāha yaˈmuru bi-l-ʿadli wa-l-ˈiḥsāni wa-ˈītāˈi ḏī l-qurbā wa-yanhā ʿani l-faḥšāˈi wa-l-munkari wa-l-baġyi yaʿiẓukum laʿallakum taḏakkarūna
Jeremia 22:3Mattheüs 7:12Quran 16:90