Rasoel

20 februari 2020

Rasoel. Da’s nu eens een woord dat we vaak over Mohammed horen,

die in het gewone taalgebruik “rasoel Allah” wordt genoemd.

Maar rasoel? Wat betekent dat?

Laten we eens goed kijken naar de stam van het woord. We beginnen met het weglaten van de klinkers en zo rest er nog R-S-L, wat ons het werkwoord rasila geeft. Het heeft als betekenis: lang haar hebben dat naar beneden hangt.

Lange haren? Maar welk verband dan met Mohammed?

Het woord rasoel is een naamwoord. Het betekent: boodschapper. Daar is een werkwoord van afgeleid, arsala, wat staat voor “een boodschap versturen” zoals in de uitdrukking “arsala risalatan” of: “Hij heeft een boodschap verstuurd”. Vandaag is dat simpelweg: “Hij heeft een brief of een whatsappje verstuurd”. Maar vergeet niet dat in de tijd van de profeet die boodschappen vooral mondeling verliepen. De rasoel was belast met die overdracht.

Er is dus geen verband met de lange haren die naar beneden hangen.

Het ziet er naar uit dat de stam twee grondbetekenissen heeft. Het afgeleide werkwoord arsala betekent ook: een stuk van zijn kledij laten slepen over de grond, als slordigheid. Dat is trouwens een technische term uit de profetische hadith om aan te duiden dat de overleveringsketting (isnaad) de naam van de overleveraar heeft laten wegvallen.

In de Koran is het verrassend dat de term rasoel, zo vaak gebruikt om te verwijzen naar Mohammed, niet vóór de tijd in Medina verschijnt. Vergis je dus niet! Als in soera 81 vers 19 de openbaring aan “een voortreffelijke boodschapper” wordt toegeschreven (rasoel kariem), handelt het hier niet over Mohammed maar wel over een bovennatuurlijke naamloze tussenpersoon. Die tussenpersoon richt zich tot een mens die benoemd wordt als “jullie gezel” (sahiboekoem), waarover gezegd wordt dat hij geen majnoen is – niet in de ban van een djinn is. Zo ook vinden we in 69:40-42 dezelfde uitdrukking, de voortreffelijke boodschapper, en staat er dit keer dat het niet handelt over het woord van een dichter of ziener (kahin).

Pas in de Medinese periode wordt de eigenschap rasoel aan Mohammed toegeschreven. De term komt dan veelvuldig voor in de Koran, maar was reeds in gebruik in het meervoud (roesoel) of in het participium meervoud (moersaloen) dat ook boodschapper betekent. Daarmee werden figuren beschreven die aan Mohammed voorafgingen zoals Noah, Mozes en Abraham. De Koran zegt ons daarover dat ze belast waren om de goddelijke boodschap te verstrekken aan hun volk, net als Eli, Lot of Jonas.

In de Mekkaanse periode daarentegen wordt Mohammed aangeduid als “de waarschuwer” voor zijn stam: nadhier ofmoendhir.

De woorden uit de Koran door Prof. Jacqueline Chabbi, Historica van de islamitische wereld.