Qoer’aan

20 februari 2020

We ontmoeten elkaar elke keer om een woord van de Koran te bespreken.

Trouwens, Koran, al-qoer’aan,

wat betekent het?

 

Laten we kijken wat de grammatica zegt.

Om te beginnen: al-qoer’aan is een eigennaam geworden.

Zoals we het gewoon zijn, verwijderen we alle klinkers. Met uitzondering van het lidwoord al, dat verbonden is met de eigennaam, rest er ons: Q, R en N. Alleen is de N hier een achtervoegsel en behoort hij dus niet tot de stam.

De derde medeklinker zien we eigenlijk niet, hij is hamza, weet je nog, het was de eerste medeklinker van oemma. We hebben hier dus een stam die bestaat uit Q, R, hamza en dat geeft ons het werkwoord qara’a.

Qara’a in modern Arabisch, de taal van vandaag, is het werkwoord “lezen”. Qoer’aan zou dus “het lezen” zijn? Maar in de zevende eeuw, in Arabië, in Mekka, waren er dan boeken? Welnee!

In de tijd van de profeet was het stamverband een mondelinge cultuur waarin weinig gebruik werd gemaakt van het schrift. Er zijn slechts enkele korte inscripties op stenen langs de woestijnroutes overgebleven uit die periode. In die maatschappij betekende qoer’aan dat een boodschap die gehoord was mondeling en vooral ongewijzigd werd herhaald.

De trouw aan de gehoorde boodschap stond in contrast met de vrije meningsuiting of de poëzie

waarvoor het werkwoord qara’a nooit werd gebruikt: in beide gevallen was dit het werkwoord qala “zeggen” en voor de poëzie anshada, “zingen”.

In de Koran zelf wordt qoer’aan vooreerst gebruikt zonder de kracht van een eigennaam, zoals bijvoorbeeld in de oude soera 75:18 “Als God het je doorgeeft, maak er dan een getrouwe herhaling van”. Je vindt er het idee om niets te veranderen van wat er is gehoord.

De Koran vertelt ons ook in 43.3 dat die overdracht in het Arabisch moet gebeuren omdat het gericht is aan de Arabieren, maar dat elk volk de goddelijke boodschap in zijn eigen taal moet ontvangen om die goed te begrijpen. Zo kan het Evangelie beschouwd worden als de Koran van Jezus. Je leest in 57:27 “Wij lieten die boodschappers volgen door Jezus, zoon van Maria, aan wie wij het Evangelie hebben gegeven.”

Daarmee ziet de Koran een gelijkwaardigheid tussen de opeenvolgende openbaringen. Dat vind je duidelijk terug in vers 94:10 “Als je twijfelt aan wat wij je hebben toegestuurd, bevraag dan hun die het geschrift hebben herhaald dat zij vóór jou hebben ontvangen.” – het bovennatuurlijke geschreven woord.

Het gaat hier niet om een door de mensenhand geschreven boek, maar om het bovennatuurlijke kitaab waar we het in een volgend stuk over zullen hebben.

De woorden uit de Koran door Prof. Jacqueline Chabbi, Historica van de islamitische wereld.