Nabie

Je hoort altijd maar zeggen over Mohammed: “Het is de profeet”.

Dit begrip gaat zo vaak over de tong en krijgt voortdurend een aureool van heiligheid eromheen.

Toch wordt het nooit aan Mohammed toegedicht tijdens de Mekkaanse periode.

Hoe dit te verklaren?

 

We gaan daarom terug naar de stam. We verwijderen de klinkers. Enkel N en B blijven over en de laatste medeklinker blijft onzichtbaar, de hamza. We krijgen zo het werkwoord naba’a.

In Koranisch gebruik evenwel ontmoeten we dat werkwoord nooit in de gewone vorm, maar altijd als een werkwoord afgeleid van een naamwoord: naba’ in het enkelvoud, anbaa’ in het meervoud.

Het betekent “de bekendmaking” van iets nieuws, of nieuws brengen, als waarachtig nieuws – er wordt niet zomaar iets verteld.

We vinden die betekenis in de Koranische openbaring in bijvoorbeeld de eerste verzen van soera 78 waar “de grote nieuwstijding” het laatste oordeel evoceert.  “Waarover bevragen zij zich? Over de Grote Tijding!” Ook in 20:99 vinden we bij het verhaal van Mozes en Aaron in de passage over het gouden kalf: “Zo vertellen Wij jou berichten over wat vroeger gebeurd is.”

Het gaat erom dat de authenticiteit van het verhaal wordt bevestigd en dat moet het onderwerp zijn van een zinvolle herinnering (dhikr).

Het woord nabie’ is een direct leenwoord van het Hebreeuws en het Aramees. Het verschijnt in de Koran in de Mekkaanse periode en wil daarmee in de eerste plaats vreemde figuren benoemen zoals bijvoorbeeld David: “Wij hebben sommige profeten boven anderen verkozen en hebben aan David gegeven een zaboer“, een woord dat teruggaat op mizmoor, de psalmen in het Aramees.

Zo ook in 37:112 waar Isaak, zoon van Abraham, benoemd wordt als een profeet die deel uitmaakt van de rechtvaardigen, alsalihoen. “Wij verkondigden Abraham het goede nieuws van Isaak, die een profeet was en een van de rechtschapen mannen.” Let er op dat in deze Mekkaanse passage Ismaël nog niet is vermeld als Abrahams zoon.

De huldiging van Mohammed als profeet, net als de gevallen met rasoel, moet je plaatsen in de chronologie van Medina. Het is uitsluitend daar dat Mohammed onder de naam nabie’ wordt genoemd: “O profeet” (ayyoehaa n-nabie’) zegt de Koran meermaals in soera’s 33:59, 60:12, 65:1, 66:1 en 9.

In een aantal van die passages gaat het om het aanpakken van gedrags- en socialiteitsproblemen in de context van het leven in Medina. Mohammed is er slechts een stamlid als de anderen.

Men dient eenvoudigweg in zijn aanwezigheid de regels van het stedelijk fatsoen te respecteren, die de mannen vanuit de woestijn niet respecteerden in hun dagelijkse relaties.

Zo zegt de Koran in soera 49 vers 2: “O, gij die samengekomen zijt, spreekt niet luider dan de profeet en spreekt hem niet aan zoals gij onder elkander doet!” Het was inderdaad bekend dat bedoeïenen de neiging hadden om met een zeer luide stem te spreken, bijna schreeuwend alsof hun gesprekspartners doof waren.

Bij zo’n passage merken we dat we ons in de aanwezigheid van sociale regels bevinden en niet in een religieus kader waarbinnen we geneigd zijn om Mohammed als een profeet in vast te zetten.

  • 19 februari 2020

De woorden uit de Koran door Prof. Jacqueline Chabbi, Historica van de islamitische wereld.