Mohammed

Moehammad.

Voor jou is dat ongetwijfeld de naam van de profeet,

dus is het een echte naam.

Dat klopt, maar in het Arabisch hebben eigennamen een betekenis.

 

Laten we eens kijken naar de stam van het woord.

We laten de klinkers weg, we blijven achter met M-H-M-D. Er staat dus een medeklinker teveel, dat had je al door, het is de eerste. Dit is het voorvoegsel dat het werkwoord hammada doet verwijzen naar een passief voltooid deelwoord.

Dit betekent dat de welbekende Godslof wordt verkondigd, al-hamdoe lillaah, God zij geprezen!

Dat vinden we in verschillende Koranische passages terug zoals in 34:1 “Lof zij Allah die bezit wat er in de hemelen en op aarde is”; of ook in 35:34 “Lof zij Allah die van ons de droefheid heeft weggenomen.” Het is een uitspraak van degenen die in het paradijs zijn binnengetreden.

Wat betekent dan dit woord eenmaal toegepast op een mens? Als het gaat om het passief deelwoord moehammad zijn het niet de mensen die Gods lof zingen. Het is Allah die de mens waardig acht om te worden geprezen.

Het verwondert je misschien om die roemrijke naam slechts 4 keer te ontmoeten in de Koran en dan nog enkel in de passages die allemaal verondersteld uit Medina dateren. We hebben al gezien dat zelfs de namen rasoel en nabie niet voorkomen in de Mekkaanse verzen. Degene die we Mohammed noemen werd enkel benoemd met namen die verwezen naar zijn tribale status. De passages uit Medina daarentegen verbinden de naam Mohammed met zijn nieuwe statuut als boodschapper van Allah, zoals in Koran 48:29 en 31:44. In die laatste passage wordt gepreciseerd dat Mohammed een boodschapper is (rasoel), die ook vóór hem vele voorgangers heeft gehad, eveneens boodschappers (roesoel).

We merken ook op dat Mohammed eenmalig wordt aangeduid met een verwante naam die Ahmad is, wat eveneens betekent: hij die veel lof ontvangt. Het is vormelijk een overtreffende trap.

Dit is de beroemde passage in Koran 61:6 waarin Jezus, de zoon van Maria, wordt voorgesteld als de boodschapper van Allah, die de komst aankondigt van een andere boodschapper na Hem, wiens naam dus Ahmad is, de zeer geprezene.

Vanuit historisch standpunt is dat geringe aantal vermeldingen van die eigennaam iets wat de aandacht trekt. Buiten de korantekst, in inscripties op steen in Arabië, komt de naam Mohammed zowaar nooit aan bod in het merendeel van de zevende eeuw.

Daarentegen komt hij duidelijk in al zijn glorie naar voren op het einde van diezelfde eeuw, wanneer de Omayyadische kalief Abd al-Malik de rotskoepel te Jeruzalem laat oprichten.

Als je er op bezoek komt, kan je nog altijd vandaag in de inscripties rondom de koepel tot vijf keer toe deze formule lezen: “Mohammed, dienaar van Allah, boodschapper van Allah”; en dat terwijl de naam van Jezus, met diezelfde formulering, maar één keer optreedt aan de binnenkant van de omgang van de koepel.

In wat nu een rijk is geworden, zien we daar vanuit alle hoeken de zichtbare bevestiging van de geboorte van een nieuwe religie, die de religie van Jezus opvolgt in de stad Jeruzalem – toen nog een volledig christelijke stad. Die afkondiging richt zich uiteraard tot het Byzantijnse rijk, “het land van Roem”.

Je zal merken dat je in de Koran geen enkele aanhef vindt na de naam van Mohammed.

  • 19 februari 2020

De woorden uit de Koran door Prof. Jacqueline Chabbi, Historica van de islamitische wereld.