Het samenwonen tussen de volkeren

الْيَوْمَ أُحِلَّ لَكُمُ الطَّيِّبَاتُ وَطَعَامُ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ حِلٌّ لَّكُمْ وَطَعَامُكُمْ حِلٌّ لَّهُمْ وَالْمُحْصَنَاتُ مِنَ الْمُؤْمِنَاتِ وَالْمُحْصَنَاتُ مِنَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ مِن قَبْلِكُمْ إِذَا آتَيْتُمُوهُنَّ أُجُورَهُنَّ مُحْصِنِينَ غَيْرَ مُسَافِحِينَ وَلَا مُتَّخِذِي أَخْدَانٍ وَمَن يَكْفُرْ بِالْإِيمَانِ فَقَدْ حَبِطَ عَمَلُهُ وَهُوَ فِي الْآخِرَةِ مِنَ الْخَاسِرِينَ

 

al-yawma ˈuḥilla lakumu ṭ-ṭayyibātu wa-ṭaʿāmu llaḏīna ˈūtū l-kitāba ḥillun lakum wa-ṭaʿāmukum ḥillun lahum wa-l-muḥṣanātu mina l-muˈmināti wa-l-muḥṣanātu mina llaḏīna ˈūtū l-kitāba min qablikum ˈiḏā ˈātaytumūhunna ˈuǧūrahunna muḥṣinīna ġayra musāfiḥīna wa-lā muttaḫiḏī ˈaḫdānin wa-man yakfur bi-l-ˈīmāni fa-qad ḥabiṭa ʿamaluhū wa-huwa fī l-ˈāḫirati mina l-ḫāsirīna 

 

Heden zijn aan jullie de goede dingen toegestaan. Het voedsel van hen aan wie het boek gegeven is, is aan jullie toegestaan en jullie voedsel is aan hen toegestaan en ook de eerbare vrouwen onder de gelovigen en de eerbare vrouwen van hen aan wie voor jullie tijd het boek gegeven is, als jullie haar in eerbaarheid en niet in ontucht haar loon geeft en zonder minnaressen te nemen. Maar wie het geloof verzaakt, diens werk blijft vruchteloos en in het hiernamaals behoort hij tot de verliezers.

 

al-māˈida 5, 5

  • 19 februari 2020

In dit vers komen de volgende kwesties aan bod.

  1. {Heden zijn aan jullie de goede dingen toegestaan} Al-Qushayrī zegt hierover: ‘’Het goede is niet hetgeen de ego’s leuk vinden, maar dat wat Allah tevreden stelt.’’[1]
  2. Het voedsel van niet-moslims is toegestaan voor moslims. Met {het voedsel van hen aan wie het boek gegeven is} worden de christenen en de joden bedoeld, geeft al-Rāzī aan. Vaak vragen mensen zich af of die toelating ook geldt voor het voedsel van christenen die geloven in de drie-eenheid. Als we kijken naar de christenen zoals die worden beschreven in de Koran, zien we dat zij dat geloofspunt al in die tijd voor waar hielden. We kunnen het vaststellen in de volgende twee verzen. {Ongelovig zijn zij die zeggen dat God een derde van drie is. Maar er is geen andere god dan één god. En als zij niet ophouden met wat zij zeggen, dan zal een pijnlijke bestraffing diegenen van hen treffen die ongelovig zijn.}[2] {O mensen van het boek, overdrijft niet in jullie godsdienst en zeg niets over Allah dan de Waarheid. Voorwaar, de Messias ‘Isa, zoon van Maryam, is een Boodschapper van Allah en Zijn Woord, dat Hij aan Maryam zond en uit een Geest (Jibrīl) van Hem voortkomend. Gelooft dus in Allah en Zijn Boodschappers en zegt niet (dat Allah) ‘drie’ is. Houdt (hiermee) op, dat is beter voor jullie Voorwaar, Allah is de Ene God. Verheven is Hij (boven de bewering dat) Hij een zoon heeft. Hem behoort wat in de hemelen en op de aarde is. En Allah is voldoende als Getuige.}[3] De verzen laten zien dat die trinitaire geloofsovertuigingen al in de tijd van de Koran bestonden bij de christenen. Al-Rāzī preciseert dat het handelt over dieren zijn die geslacht zijn.[4]
  3. {En jullie voedsel is aan hen toegestaan} Ibn al-Jawzī levert over dat al-Zujjāj zei: ‘’Dat betekent: het is toegestaan voor jullie om hen eten te geven.’’[5]
  4. Het is toegestaan voor de moslims om te trouwen met christelijke en joodse vrouwen. Ibn al-Jawzī geeft aan dat een huwelijk liefde met zich meebrengt. Uit die toestemming kan men afleiden dat het voor moslims niet verboden is om te houden van niet-moslims. De metgezellen hebben huwelijken met niet-moslims wel degelijk afgesloten. Zo wordt er overgeleverd dat ‘Uthmān getrouwd was met een christin en dat Ṭalḥa b. Ubaydullah was getrouwd met een jodin.[6] De verzen hierover willen wel duidelijk stellen dat een gelovige niet mag houden van het ongeloof van die persoon of van een persoon die in strijd is met de islam en de moslims. Om die reden staan de geleerden het huwelijk van een moslim met een niet-moslim niet toe als de niet-moslim in strijd leeft met de islam.
  5. {Maar wie het geloof verzaakt, diens werk blijft vruchteloos en in het hiernamaals behoort hij tot de verliezers.} Er wordt overgeleverd dat de reden voor openbaring het volgende is: ‘’Toen Allah het had toegestaan om te trouwen met joodse en christelijke vrouwen, zeiden die vrouwen onderling: ‘’Was het niet dat Allah tevreden over ons was, zou Hij het aan de moslims niet toegestaan hebben om met ons te trouwen.’’ De moslims zeiden: ‘’Hoe kan een man van ons met een jood of een christen trouwen, terwijl ze niet van ons geloof is.’’ Daarna werd {maar wie het geloof verzaakt, diens werk blijft vruchteloos} geopenbaard.’’ Dat heeft Abū Ṣāliḥ overgeleverd van ibn ‘Abbās.[7]

 

 

[1] Abd al-Latif Al-Qushayrī, Latāif al-Ishārāt, Caïro, al-Hay’at al-Miṣriyyat al-‘Āmma li al-Kitāb, 2000, d. 1, p. 404.

ليس الطّيّب ما تستطيبه النفوس، ولكن الطيب ما يوجد فيه رضاء الحق- سبحانه- فتوجد عند ذلك راحة القلوب.

[2] Koran, hoofdstuk 5, vers 73.

[3] Koran, hoofdstuk 4, vers 171.

[4] Fakhr al-Dīn al-Rāzī, Mafātīh al-Ghayb. Beiroet, Dar-Ihya Turath al-Arabi, 1998, d. 11 p. 293-294.

ثُمَّ قَالَ تَعَالَى: وَطَعامُ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتابَ حِلٌّ لَكُمْ وَفِي الْمُرَادِ بِالطَّعَامِ هاهنا وُجُوهٌ ثَلَاثَةٌ: الْأَوَّلُ: أَنَّهُ الذَّبَائِحُ، يَعْنِي أَنَّهُ يَحِلُّ لَنَا أَكْلُ ذَبَائِحِ أَهْلِ الْكِتَابِ، وَأَمَّا الْمَجُوسُ فَقَدْ سُنَّ فِيهِمْ سُنَّةُ أَهْلِ الْكِتَابِ فِي أَخْذِ الْجِزْيَةِ مِنْهُمْ دُونَ أَكْلِ ذَبَائِحِهِمْ وَنِكَاحِ نِسَائِهِمْ،

[5] Abū al-Faraj ibn al-Jawzī, Zād al-Masīr fī ‘ilm al-Tafsīr. Beiroet, Dār al-Kitāb al-‘Arabī, 1422 h., d. 1 b. 518.

قوله تعالى: وَطَعامُكُمْ حِلٌّ لَهُمْ أي: وذبائحكم لهم حلال، فاذا اشتروا منا شيئاً كان الثمن لنا حلالاً، واللحم لهم حلالاً. قال الزجاج. والمعنى: أُحل لكم أن تطعموهم.

[6] A. ibn al-Jawzī, Zād al-Masīr fī ‘ilm al-Tafsīr, d. 1 b. 518.

فصل: وهذه الآية أباحت نكاح الكتابية. وقد روي عن عثمان أنه تزوج نائِلة بنت الفرافصة على نسائه وهي نصرانية. وعن طلحة بن عبيد الله: أنه تزوج يهودية. وقد روي عن عمر، وابن عمر كراهة ذلك. واختلفوا في نكاح الكتابية الحربية، فقال ابن عباس: لا تحل، والجمهور على خلافه، وإِنما كرهوا ذلك، لقوله تعالى: لا تَجِدُ قَوْماً يُؤْمِنُونَ بِاللَّهِ وَالْيَوْمِ الْآخِرِ يُوادُّونَ مَنْ حَادَّ اللَّهَ وَرَسُولَهُ «1» ، والنكاح يوجب الود. واختلفوا في نكاح نساء تغلب، فروي عن عليّ رضي الله عنه الحظر، وبه قال جابر بن زيد، والنخعي، وروي عن ابن عباس الإباحة. وعن أحمد روايتان. واختلفوا في إماء أهل الكتاب، فروي عن ابن عباس، والحسن، ومجاهد: أنه لا يجوز نكاحهن، وبه قال الأوزاعي، ومالك، واللّيث بن سعد، والشافعي، وأصحابنا، وروي عن الشعبي، وأبي ميسرة جواز ذلك، وبه قال أبو حنيفة. فأما المجوس، فالجمهور على أنهم ليسوا بأهل كتاب، وقد شذّ من قال: إِنهم أهل كتاب.

[7] A. ibn al-Jawzī, Zād al-Masīr fī ‘ilm al-Tafsīr, d. 1 b. 518.

(402) سبب نزول هذا الكلام: أن الله تعالى لما رخَّص في نكاح الكتابيات قلن بينهن: لولا أن الله تعالى قد رضي علينا، لم يبح للمؤمنين تزويجنا، وقال المسلمون: كيف يتزوّج الرجل منا الكتابية، وليست على ديننا، فنزلت: وَمَنْ يَكْفُرْ بِالْإِيمانِ فَقَدْ حَبِطَ عَمَلُهُ، رواه أبو صالح عن ابن عباس.

Ismāʿīl Ḥaqqī al-Brūsawī (1653 – 1725)

إن الله طيب لا يقبل إلا الطيب

 « Alle goede dingen zijn jullie toegelaten » want Allah is Goed en Hij houdt enkel van wat goed is. Het goede is alles wat we in smaak gemeenschappelijk hebben en niet als onzuiver beschouwen, en alles wat niet verboden is door de islamitische wet of door het oordeel van een expert (muǧtahid). (B. 2, p. 347)

 

Wahba al-Zuḥaylī (1932 – 2015)

أحل لكم أيها المؤمنين التزوج بالحرائر المؤمنات والكتابيات من اليهود والنصارى، سواء كنّ ذميات أو حربيات

De moslim heeft het recht om joodse vrouwen of vrije christenvrouwen[1] te huwen, ongeacht hun statuut. Ze kunnen onder bescherming staan van de islamitische wet (ḏimmiyyāt) of in oorlog zijn tegen de moslims. Als voorwaarde moet de moslim haar een bruidsschat geven die de unie officialiseert, en moet hij haar trouw blijven, publiek en privé. (B. 3, p. 444)

[1]  Wat niet impliceert dat ze niet het recht hebben om met de slavinnen te huwen. De voorkeur gaat uit naar een huwelijk met een vrije vrouw.

 

Nāṣir Mukārim al-Šayrāzī (geboren in 1926)

سمحت الآية بالتزاور بين المسلمين وغيرهم، وأحلت طعام بعضهم لبعض كما أحلت التزاوج فيما بينهم

Dit vers informeert ons dat gezond voedsel is toegelaten. Bovendien is het voedsel van de mensen van het Boek gepermitteerd voor de moslims, net als het voedsel van de moslims is toegelaten voor de mensen van het boek. Dit vers werd geopenbaard in een tijd waar de islam aanwezig werd in alle woongebieden van het Schiereiland. De vijanden van de islam wisten zich geen raad meer omdat ze die religie niet meer uit hun gebied konden krijgen. In een dergelijke situatie werden sommige verboden en restricties opgeheven om de moslims toe te laten samen te wonen met niet-moslims. Dit vers wil een zachtere toon aanslaan met wetten die een nieuwe verstandhouding inluiden met de lieden van het Boek. Nadat wetten en een juridisch apparaat waren ingevoerd, vergemakkelijkt dit vers het samenwonen tussen de volkeren door voedsel en huwelijk te legitimeren. (B. 3, p. 360)