Gij zult niet doden

20 februari 2020

مِنْ أَجْلِ ذَلِكَ كَتَبْنَا عَلَى بَنِي إِسْرَائِيلَ أَنَّهُ مَن قَتَلَ نَفْسًا بِغَيْرِ نَفْسٍ أَوْ فَسَادٍ فِي الْأَرْضِ فَكَأَنَّمَا قَتَلَ النَّاسَ جَمِيعًا وَمَنْ أَحْيَاهَا فَكَأَنَّمَا أَحْيَا النَّاسَ جَمِيعًا وَلَقَدْ جَاءَتْهُمْ رُسُلُنَا بِالْبَيِّنَاتِ ثُمَّ إِنَّ كَثِيرًا مِّنْهُم بَعْدَ ذَلِكَ فِي الْأَرْضِ لَمُسْرِفُونَذَٰلِكَ فِي الْأَرْضِ لَمُسْرِفُونَ

 

ˈannahū man qatala nafsan bi-ġayri
nafsin ˈaw fasādin fī l-ˈarḍi fa-ka-ˈannamā qatala n-nāsa ǧamīʿan

 

Daarom hebben Wij de Kinderem van Israel voorgeschreven dat voor wie een ziel doodt – niet (als vergelding) voor een ziel of het verderf zaaien op aarde – het is alsof hij alle mensen doodde en dat voor wie iemand laat leven, het is alsof hij alle mensen dead leven. En waarlijk, en Onze Boodschappers kwamen tot hen met duidelijke Tekenen, velen van hen (de Kinderen van Israel) waren daarna overtreders op de arde.

 

al-Māʿida 5, 32

Het woord daarom in dit vers verwijst naar de verzen die er aan voorafgaan, meent de overgrote meerderheid van de Tafsīr-geleerden.[1] ‘’ Vertel hen de waarheid over het verhaal over de twee zonen van Adam: toen zij een offer brachten, werd het van één van hen (Abel) aanvaard en van de ander (Kaïn) werd het niet aanvaard. Hij (Kaïn) zei: “Ik zal jou doden.” Hij (Abel) zei: “Voorwaar, Allah aanvaardt alleen het offer van de Godvrezende. Wanneer jij je hand naar mij uitstrekt om mij te doden: het is niet aan mij om mijn hand naar jou uit te strekken om jou te doden, waarlijk, ik vrees Allah, de Heer der Werelden. Voorwaar, ik wil dat je mijn zonde en jouw zonde op je neemt en dat het dan tot de bewoners van de Hel wordt. En dat is de vergelding voor de onrechtvaardigen.”[2] Ibn Kathīr zegt: ‘’Omdat het kind van Adam zijn broer onrechtmatig heeft vermoord uit haat.’’[3]

Al-Qurṭubī levert over dat Ibn ‘Abbās het volgende zei over de betekenis van de gehele mensheid vermoorden en de gehele mensheid laten leven: ‘’Als iemand een persoon vermoordt en zo het verbod heeft overschreden, is het net alsof hij de gehele mensheid heeft vermoord. Vergelijkbaar is dan dat degene die uit vrees voor Allah niét vermoordt, het verbod niet overschrijdt en aldus iemand in leven laat. Welnu, dan is het net alsof hij de gehele mensheid in leven heeft gelaten.’’ Hoewel dat verbod in die tijd verplicht is gesteld, werd het een thema dat in alle religies aan bod komt.[4] Het vermoorden van mensen behoort tot de grootste zondes in de islam en de profeet Mohammed (vzmh) zei hierover: ‘’De grote zonden zijn: 1. Het toekennen van deelgenoten aan Allah 2. Ongehoorzaam zijn aan de ouders 3. Het doden van een persoon (zonder recht) 4. En een valse eed afleggen.”[5]

Fakhr al-Dīn al-Rāzī geeft ook mooie inzichten bij dit vers. Zo zegt hij dat het niet enkel handelt over de moord van de kinderen van Adam, maar ook over alle verschrikkelijke zaken die genoemd zijn vóór dit vers. Dat dit vers de kinderen van Israel betreft, heeft om verschillende redenen zin, onder andere het feit dat zij vele profeten hadden vermoord. Het vers werd geopenbaard als een vorm van troost toen de mensen de profeet Mohammed (vzmh) en zijn nabije metgezellen wilden vermoorden. Zoals we kunnen lezen, maakt het vers twee uitzonderingen. De eerste exceptie is moord als vergelding en de tweede wil verderf tegengaan.[6] Die uitzonderingen zijn echter alleen mogelijk als de rechter daartoe oordeelt. Het is ten strengste verboden dat iemand het heft in eigen handen neemt.[7]

Vervolgens geeft ibn ‘Ajība een heel andere betekenis aan dit vers. Hij zegt dat wanneer iemand geleid kan worden, en jij hier een stokje voor steekt door hem te belemmeren of omdat je hem niet naar de juiste mensen begeleidt, het dan net is alsof je de gehele mensheid hebt vermoord. Op dezelfde manier: wie iemand helpt om leiding te vinden of hem tot dat inzicht brengt, heeft als het ware de hele mensheid gered. Als bewijs hiervoor geeft ibn ‘Ajība de uitspraak van de profeet Mohammed (vzmh) die te vinden is in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī: “De gelovigen zijn in hun onderlinge genade, liefde en vriendelijkheid als één lichaam. Wanneer een deel van het lichaam (aan ziekte) lijdt, dan is het hele lichaam betrokken in de vorm van slapeloosheid en koorts.”[8]

[1] Abū Muḥammad, ibn ‘Atiyya, al-Muḥarrar al-Wajīz fī Tafsīr al-Kitāb al-‘Azīz. Beiroet, Dār al-Kutub al-‘Arabiyya, 1422 h., d. 2, p. 181.

[2] Koran, hoofdstuk 5, vers 27-31.

[3] Isma’īl, Ibn Kathīr, Tafsīr al-Qur’ān al-‘Adhīm. Riyad, Dār Ṭayyiba li al-Nashr wa al-Tawzī’, 1999, d. 3, p. 92.

[4] Abū ‘Abd Allah al-Qurtubī, al-Jāmī’ li al-Ahkām al-Qur’ān. Caïro, Dār al-Kutub al-Misriyya, 1964, d. 6, p. 146.

[5] Muḥammad b. Ismā’īl al-Bukhārī. Al-Jām’i al-Sahīh. Damascus, Dār Tūq al-Najāh, 1422 h., d. 3, p. 171.

[6] Fakhr al-Dīn, al-Rāzī, Mafātīh al-Ghayb. Beiroet, Dar-Ihya Turath al-Arabi, 1998, d. 11, p. 344.

[7] Al-Mawsū’at al-Kuwaytiyya. Koeweit, Wizārat al-Awqāf al-Kuwaytiyya, 1978, d. 4, p. 150.

[8] Abū al-‘Abbās, ibn ‘Ajība, al-Baḥr al-Madīd. Cairo, Hasan ‘Abbās Zaki, 1419, d. 2, p. 34-35.

Ismāʿīl Ḥaqqī al-Brūsawī (1653 – 1725)

مَنْ تسبب لبقاء حياتها بعفو أو منع عن القتل أو استنقاذ من بعض أسباب الهلكة فكأنما فعل ذلك بالناس جميعا

Wanneer iemand een enkele ziel onrechtmatig doet sterven, is het alsof hij alle zielen heeft gedood. Hij heeft de heiligheid van het bloed vernield, moord gelegaliseerd en de mensen aangespoord om hem te volgen. Het valt te begrijpen dat eenvoudigweg moord of een ware slachtpartij de woede van Allah veroorzaken en dat het Zijn vreselijke straf teweegbrengt. Maar wanneer iemand leven veroorzaakt omdat hij een crimineel vergiffenis schenkt, een oorlog tegenhoudt of iets anders, dan is het alsof hij dat voor de hele wereld heeft gedaan. Die hyperbool illustreert het gewicht van de onrechtmatige moord en pleit voor clementie (B. 2, p. 384).

 

Wahba al-Zuḥaylī (1932 – 2015)

فهم مع علمهم بشناعة القتل أقدموا على قتل الأنبياء والرسل

Dit vers behandelt de wetgeving over de doodstraf bij de Kinderen van Israël. Het woord « daarom » wil zeggen: « omwille van de schanddaden die gepleegd zijn door het doden ». Ondanks het feit dat de voorwaarden om de doodstraf uit te voeren door alle religies zijn bepaald, zet het vers de Kinderen van Israël voorop, en dat wegens hun exces in dit domein, hoewel ze [door de openbaring] kennis hadden gekregen van de lelijkheid van hun misdaden. Ze hebben ook profeten en boodschappers gedood (B. 3, p. 510).

 

Nāṣir Mukārim al-Šayrāzī (geboren in 1926)

هذه الآية مع أنها تتحدث ـ أو يشير ظاهرها ـ إلى الحياة والموت الماديين، إلا أنّ الأهم من ذلك هو الموت والحياة المعنويين

Het is ook mogelijk om een esoterische uitleg te geven aan het vers door het niet te begrijpen alsof het maar een fysieke dood en leven verwijst, maar als een spirituele realiteit. Het gaat over iemand die van de rechte weg is verdwaald of om hem te redden van de ondergang. Iemand vroeg bijvoorbeeld aan imam al-Ṣādiq om hem dit vers uit te leggen. Hij antwoordde met deze woorden: « [Het handelt erover om iemand te redden] van het vuur of van de verdrinkingsdood ». Na een moment van stilte ging hij verder: « De meest diepzinnige interpretatie is: roep en red [een ziel van de ondergang] » (B. 3, p. 416).

Pleeg geen overspel.Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd:”Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht”.voor wie een ziel doodt – niet (als vergelding) voor een ziel of het verderf zaaien op aarde – het is alsof hij alle mensen doodde en dat voor wie iemand laat leven, het is alsof hij alle mensen dead leven.
לא תרצח

 

Ἠκούσατε ὅτι ἐρρέθη τοῖς ἀρχαίοις Οὐ φονεύσεις· ὃς δ’ ἂν φονεύσῃ, ἔνοχος ἔσται τῇ κρίσει.

 

مِنْ أَجْلِ ذَٰلِكَ كَتَبْنَا عَلَىٰ بَنِي إِسْرَائِيلَ أَنَّهُ مَن قَتَلَ نَفْسًا بِغَيْرِ نَفْسٍ أَوْ فَسَادٍ فِي الْأَرْضِ فَكَأَنَّمَا قَتَلَ النَّاسَ جَمِيعًا وَمَنْ أَحْيَاهَا فَكَأَنَّمَا أَحْيَا النَّاسَ جَمِيعًا ۚ وَلَقَدْ جَاءَتْهُمْ رُسُلُنَا بِالْبَيِّنَاتِ ثُمَّ إِنَّ كَثِيرًا مِّنْهُم بَعْدَ ذَٰلِكَ فِي الْأَرْضِ لَمُسْرِفُونَ
Lō trə-ṣāḥ.Ēkousate hoti errethē tois archaiois Ou phoneuseis hos d’ an phoneusē enochos estai tē kriseimin ˈaǧli ḏālika katabnā ʿalā banī ˈisrāˈīla ˈannahū man qatala nafsan bi-ġayri nafsin ˈaw fasādin fī l-ˈarḍi fa-ka-ˈannamā qatala n-nāsa ǧamīʿan wa-man ˈaḥyāhā fa-ka-ˈannamā ˈaḥyā n-nāsa ǧamīʿan wa-la-qad ǧāˈathum rusulunā bi-l-bayyināti ṯumma ˈinna kaṯīran minhum baʿda ḏālika fī l-ˈarḍi la-musrifūna
Exodus 20:13Mattheüs 5:21Quran 5:32