Het anderszijn

إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَالَّذِينَ هَادُوا وَالنَّصَارَى وَالصَّابِئِينَ مَنْ آمَنَ بِاللَّـهِ وَالْيَوْمِ الْآخِرِ وَعَمِلَ صَالِحًا فَلَهُمْ أَجْرُهُمْ عِندَ رَبِّهِمْ وَلَا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلَا هُمْ يَحْزَنُونَ

 

ˈinna llaḏīna ˈāmanū wa-llaḏīna hādū wa-n-naṣārā wa-ṣ-ṣābiˈīna man ˈāmana bi-llāhi wa-l-yawmi l-ˈāḫiri wa-ʿamila ṣāliḥan fa-lahum ˈaǧruhum ʿinda rabbihim wa-lā ḫawfun ʿalayhim wa-lā hum yaḥzanūna

 

Voorwaar, degenen die geloven, en degenen die het Jodendom belijden en de Christenen en de Sabiërs; (zij allen) geloven in Allah en in de Laatste Dag, en zij verrichten goede werken: voor hen is hun beloning bij hun Heer en geen vrees zal er over hen zijn noch zullen zij treuren.

 

al baqara 2, 62

  • 19 februari 2020

Ibn ‘Ajība legt de etymologie uit van de drie benamingen die in het vers worden vermeld, namelijk Yāhūd (joden), Naṣārā (christenen) en Sabiërs. Het woord Yāhūd is de naam voor de kinderen van Israël en stamt af van de oudste zoon van Jacob, die Yahūzā heet, wat betekent: ‘degene die berouw heeft getoond’. De christenen heten Naṣārā en dat betekent letterlijk helpers. Ze werden zo genoemd omdat ze Jezus (vzmh) hielpen of omdat ze met Jezus (vzmh) hebben gewoond in een plaats die de naam Naṣrān droeg. De Sabiërs zijn degenen die hun geloof hebben veranderd.[1]

Ibn al-Jawzī legt uit dat de Tafīr-geleerden van mening verschillen of dit vers al dan niet is geabrogeerd[2]. Onder andere Mujāhid en al-Daḥḥāk zeggen van niet en leggen het als volgt uit: ‘’Voorwaar, degenen die geloven, en degenen die geloven (moslims) van de joden…’’ [3] Een andere groep van de Tafsīr-geleerden daarentegen is wel van mening dat dit vers is geabrogeerd door: {En wie er een andere godsdienst dan de islam zoekt: het zal niet van hen aanvaard worden…}.[4]

Ook Abū Manṣūr al-Māturīdī begrijpt dit vers op verschillende manieren. Hij zegt dat degene die een beloning zal krijgen overeenkomt met {en zij verrichten goede daden}. Het ontkennen van profeten behoort echter niet tot de goede daden. Daarom is degene die de profeten ontkent niet degene die een beloning zal krijgen.[5]

We hebben hierboven de uitleg van Mujāhid en al-Daḥḥāk kunnen lezen. Zo zijn er nog talrijke manieren waarop het vers in de vele Tafsīrāt wordt geïnterpreteerd. Het is daarom een meerduidig vers. Over meerduidige verzen zegt Allah in de Koran: {Hij is Degene Die het boek aan jou heeft neergezonden, met daarin eenduidige Verzen, zij zijn de grondslag van het Boek, andere zijn voor meer uitleg vatbaar. Maar degenen die in hun harten een neiging (tot valsheid) hebben, misbruiken de (verzen) met meerdere betekenissen om Fitna te zaaien en de ware betekenis ervan te zoeken. En de uitleg ervan kent niemand behalve Allah. En degenen die stevig gegrondvest in kennis staan, zeggen: “Wij geloven erin, alles is van onze Heer,” en zij laten zich niet vermanen, behalve de bezitters van verstand.”}[6] Er bevinden zich in de Koran eenduidige en meerduidige verzen. Die laatste verschaffen geen zekere kennis en vandaar dient men terug te keren naar de eenduidige verzen om een oordeel af te leiden over het onderwerp.[7] In die eenduidige verzen ontmoeten we dit punt regelmatig en we lezen er onder andere het vers dat ik hierboven heb aangehaald. {Voorwaar, de (enige) Godsdienst bij Allah is de Islam en degenen die de Schrift gegeven was verschilden (hierover) nadat de kennis tot hen gekomen was niet over van mening dan door onderlinge jaloezie. En wie de Tekenen van Allah loochent: voorwaar, Allah is snel in de afrekening.}[8] Die verzen laten ons dus zien dat volgens de moslims de geaccepteerde religie enkel de islam is. [9] Daarover bestaat ook consensus[10] .

Allah zegt in de Koran: {Wie Leiding volgt, volgt de Leiding waarlijk voor zichzelf, en wie dwaalt, dwaalt waarlijk tegen zichzelf en niemand kan de zonde van iemand anders dragen. En Wij bestraffen niet voordat Wij een Boodschapper hebben gestuurd.}[11]Al-Ghazālī zegt in zijn boek Faysal al-Tafriqa dat iemand die niet het juiste beeld van de islam heeft, niet bestraft zal worden.[12]

 

[1] Abū al-‘Abbās, ibn ‘Ajība, al-Baḥr al-Madīd. Cairo, Hasan ‘Abbās Zaki, 1419, d. 1, p. 116.

و (هادوا) : تهودوا، أي: دخلوا في اليهودية. وسمّوا يهوداً إما نسبة لأبيهم الأكبر (يهوذا بن يعقوب) ، أو مِنْ هَادَ، إذَا تَابَ لأنهم تابوا من عبادة العجل.

والنصارى: جمع نصران، وسُموا بذلك إما لنصرهم المسيح عليه السلام، أو لسكناهم معه في قرية يقال لها:

(نصران) ، والصابئون: طائفة من أهل الكتاب، خرجوا عن دين اليهودية وعبدوا الكواكب، يقال: صبا يصبو، إذا مال وخرج من دين إلى دين.

[2] Dat wil zeggen dat het vers onderdeel is van de Koran, echter geldt het oordeel er niet meer van.

[3] Abū al-Faraj ibn al-Jawzī, Zād al-Masīr fī ‘ilm al-Tafsīr. Beiroet, Dār al-Kitāb al-‘Arabī, 1422 h., d. 1 b. 73.

فصل: وهل هذه الآية محكمة أم منسوخة؟ فيه قولان: أحدهما: أنها محكمة، قاله مجاهد والضحاك في آخرين، وقدروا فيها: إن الذين آمنوا، ومن آمن من الذين هادوا. والثاني: أنها منسوخة بقوله: وَمَنْ يَبْتَغِ غَيْرَ الْإِسْلامِ دِيناً فَلَنْ يُقْبَلَ مِنْهُ «1» ، ذكره جماعة من المفسّرين.

[4] Koran, hoofdstuk 3, vers 85.

[5] Abū Manṣūr al-Māturīdī, Ta’wīlāt Ahl al-Sunnah. Beiroet, Dār al-Kutub al-‘Ilmiyya, 2005, d. 1, p. 484.

والثاني: ذَكَر الإيمان باللَّه. والإيمان باللَّه هو الإيمانُ بجميع الرسل، وبجميع الكتب.

ولكنهم لا يؤمنون باللَّه، ولا يعرفونه في الحقيقة.

أو أَن يقال: ذكَر عملَ الصالحات، والكفرُ ببعض الرسل ليس من عمل الصالحات؛ لذلك بطل تعلقهم بهذا، واللَّه أعلم.

[6] Koran, hoofdstuk 3, vers 7.

[7] Muḥammad Abd al-Karīm Al-Shiristani, Al-Milal wa al-Niḥal. Cairo, Mu’assasat al-Ḥalabī, 1968, p.12.

[8] Koran, hoofdstuk 3, vers 19.

[9] Ibn Ḥazm al-Ẓāhīri, Marātib al-Ijmā’. Beiroet, Dār al-Kutub al-‘Ilmiyya, d. 1, p. 119.

وَاتَّفَقُوا على تَسْمِيَة الْيَهُود وَالنَّصَارَى كفَّارًا

[10] Een zaak waar alle moslimgeleerden het over eens zijn in een bepaalde tijd, dit verschaft zekere kennis.

Ibn al-Ḥajar al-‘Asqalānī, Fatḥ al-Bārī Sharḥ Ṣaḥīḥ al-Bukhārī. Beiroet, Dār al-Ma’rifa, 1379 h., d. 9 p. 149.

وَأَمَّا عِيَاضٌ فَقَالَ انْعَقَدَ الْإِجْمَاعُ عَلَى أَنَّ الْكُفَّارَ لَا تَنْفَعُهُمْ أَعْمَالُهُمْ وَلَا يُثَابُونَ عَلَيْهَا بِنَعِيمٍ وَلَا تَخْفِيفِ عَذَابٍ وَإِنْ كَانَ بَعْضُهُمْ أَشَدَّ عَذَابًا مِنْ بَعْضٍ قُلْتُ وَهَذَا لَا يَرُدُّ الِاحْتِمَالَ الَّذِي ذَكَرَهُ الْبَيْهَقِيُّ فَإِنَّ جَمِيعَ مَا وَرَدَ مِنْ ذَلِكَ فِيمَا يَتَعَلَّقُ بِذَنْبِ الْكُفْرِ وَأَمَّا ذَنْبُ غَيْرِ الْكُفْرِ فَمَا الْمَانِعُ مِنْ تَخْفِيفِهِ

[11] Koran, hoofdstuk 17, vers 15.

[12] Abū Ḥāmid al-Ghazālī, Faysal al-Tafriqa, Parijs, 1983, p. 38.

من بلغهم اسم محمد صلى الله عليه وآله وسلم ولم يبلغهم نعته وصفته؛ بل سمعوا أيضا منذ الصبا أن كذابًا مُلَبِّسًا اسمه محمد ادعى النبوة، كما سمع صبياننا أن كذاباً يقال له المقفع، ادعى أن الله بعثه وتحدث بالنبوة كاذباً.
فهؤلاء عندي في معنى الصنف الأول، فإنهم مع أنهم سمعوا اسمه، سمعوا ضد أوصافه، وهذا لا يحرك داعية النظر في الطلب.”.

Ismāʿīl Ḥaqqī al-Brūsawī (1653 – 1725)

هؤلاء إذا آمنوا وعملوا الصالحات لم يؤاخذوا بتقديم فعلهم ولا بفعل آبائهم ولا ينقصون من ثوابهم وَلا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ […] حين يخاف الكفار العقاب وَلا هُمْ يَحْزَنُونَ حين يحزن المقصرون على تضييع العمر وتفويت الثواب

De betekenis is dus: « Zij die deel uitmaken van de hypocrieten, de joden, de Nazareeërs of de Sabiërs; en die geloven in Allah en in wat Hij geopenbaard heeft aan de profeten en in het bestaan van de laatste dag […] », dus zij die zich bekeren tot de islam en daarbij handelen volgens de wil van Allah, « […] zullen niet gestraft worden omwille van hun handelingen uit het verleden of wegens de daden van hun vaderen. Ze zullen de beloning van Allah geheel ontvangen en hoeven niet te vrezen voor Zijn bestraffing.

Wahba al-Zuḥaylī (1932 – 2015)

إن مدار الفوز والنجاة هو الإيمان الصحيح المقترن بالعمل الصالح

In de goede afloop naar voorspoed en zaligheid, draait het om een oprecht geloof dat hand in hand wordt beleden met deugdzame werken. Dit vers handelt over zij die geloven in de profeet van de islam. De joden en de christenen op hun beurt zijn lieden van het boek die een bijzonder statuut bezitten. Een moslim heeft bijvoorbeeld het recht om met hun dochters te huwen en hun voedsel te eten.

Nāṣir Mukārim al-Šayrāzī (geboren in 1926)

إنّ الأجر عند الله يقوم على أساس الإيمان الحقيقي بالله واليوم الآخر إضافة إلى العمل الصالح، وهذا الأساس هو الباعث الوحيد للسعادة الحقيقية والابتعاد عن كل خوف وخزن

Dit vers werd geopenbaard om te bevestigen dat deel uitmaken van een religie geen gewicht heeft in de goddelijke balans. Uiteindelijk maakt het niet uit of de persoon nu moslim is, jood, christen of een andere religie volgt. De goddelijke beloning heeft namelijk enkel betrekking op degene die oprecht in Allah gelooft, in het bestaan van de laatste dag en op de goede werken van de persoon. Dat zijn de enige fundamenten. Zij kunnen het echte geluk brengen, en de angst en verdriet doen verdwijnen. Elke gemeenschap die gehandeld heeft volgens de voorschriften van hun profeet, elk in hun eigen tijd, vindt als gemeenschap verlossing [van de goddelijke straf]. Op die manier zijn de gelovige joden vóór de komst van de Messias gered, net als de christenen vóór de komst van de islam.

Lied voor de liefde
Imam Hargey verdedigt zijn standpunt over interreligieus huwelijk