Elk zijn religie

لَكُمْ دِينُكُمْ وَلِيَ دِينِ

 

lakum dīnukum wa-liya dīni 

 

Daarom, voor jullie jullie godsdienst en voor mij mijn godsdienst.

 

al-kāfirūn 109, 6

  • 19 februari 2020

Hoofdstuk al-Kāfirūn bestaat uit zes verzen. Sommigen situeren de soera in Mekka, anderen dan weer in Medina. Er wordt overgeleverd dat Qatāda van mening is dat hoofdstuk al-Kāfirūn Medinees is.[1] Ik geef het hele hoofdstuk hieronder weer zodat het duidelijker is waar het vers over gaat: {Zeg: “O ongelovigen. Ik aanbid niet wat jullie aanbidden. En jullie zullen nooit aanbidden wat ik aanbid. En ik zal nooit aanbidden wat jullie aanbidden. En jullie zullen nooit aanbidden wat ik aanbid. Daarom, voor jullie jullie geloof en voor mij mijn geloof.”}[2]

Heel wat geleerden hebben het woord dīn (godsdienst) intussen op vele manieren uitgelegd. Zo zegt al-Qurṭubī dat dīn:

  1. de uitkomst van jullie religie is voor jullie en de uitkomst van mijn religie is voor mij;
  2. jullie beloning of bestraffing is voor jullie en mijn beloning of bestraffing is voor mij, want dīn betekent uitkomst van de daden;[3]
  3. ook smeekbede betekent;
  4. aanbidding is.[4]

Over de reden van openbaring hebben de geleerden drie opinies.

  1. Abū Sāliḥ van ibn ‘Abbās leverde dit verhaal over. Een groep van Quraysh, waaronder al-Walīd b. al-Mughīra, al-‘Āṣ b. Wāil en al-Aswad b. ‘Abd Yaghūth, hadden al-‘Abbās b. ‘Abd al-Muṭṭalib ontmoet. Ze lieten weten dat als de profeet Mohammed (vzmh) zou geloven in een aantal van hun goden, zij dan ook zouden geloven in zijn God. Dat vertelde al-‘Abbās aan de profeet Mohammed (vzmh) en hierop werd dit hoofdstuk neergedaald.
  2. ‘Utba b. Rabī’a en Umayya b. Khalaf kwamen de Boodschapper van Allah (vzmh) tegen en zeiden: ‘’O Mohammed, we laten jou niet gaan totdat jij onze religie volgt en wij die van jou. Als ons pad het juiste blijkt, maak jij er ook deel van uit en als jouw religie de juiste blijkt te zijn, dan maken wij er deel van uit. Hierna werd dit hoofdstuk neergedaald. Die versie werd gebracht door ‘Ubayd b. ‘Umayr.
  3. De mensen van Quraysh nodigde de profeet Mohammed (vzmh) uit om gedurende een jaar het geloof van de moslims te volgen, de islam. Vervolgens zou de profeet Mohammed (vzmh) een jaar het geloof van Quraysh volgen. Dat is de mening van Wahb.[5]

Al-Baydāwī en Wahba al-Zuḥaylī geven aan dat er volgens de geleerden van verificatie bij dit vers geen sprake is van abrogatie.[6]Vervolgens zegt Wahba al-Zuḥaylī dat het hoofdstuk een meer bedreigende aard heeft en het niet is bedoeld alsof de islam ook andere religies als de waarheid kan beschouwen. [7]

Dit vers laat zien dat iedereen het recht heeft om te geloven waarin hij wil geloven, zoals is overgeleverd over kalief ‘Umar b. al-Khattāb. De kalief kwam een oude vrouw tegen en nodigde haar uit tot de islam, maar ze liet hem weten dat de dood haar nabij was. Daarover stelde ‘Umar Allah getuigen aan en las het vers: ‘’Er is geen dwang in het geloof.’’[8]Hij maakte zo duidelijk dat het de moslims is opgedragen om de mensen tot de islam uit te nodigen maar dat degene bij men wie geen gehoor vindt, met rust moet worden gelaten.

 

 

[1] Abū al-Faraj ibn al-Jawzī, Zād al-Masīr fī ‘ilm al-Tafsīr. Beiroet, Dār al-Kitāb al-‘Arabī, 1422 h., d. 4 p. 499.

وفيها قولان: أحدهما: أنها مكية، قاله ابن مسعود، والحسن، والجمهور. والثاني: مدنية، روي عن قتادة.

[2] Koran, hoofdstuk 109, vers 1-6.

[3] Abū ‘Abd Allah al-Qurtubī, al-Jāmī’ li al-Ahkām al-Qur’ān. Caïro, Dār al-Kutub al-Misriyya, 1964, d. 10, p. 260.

وَمَعْنَى لَكُمْ دِينُكُمْ أَيْ جَزَاءُ دِينِكُمْ، وَلِيَ جَزَاءُ دِينِي. وَسَمَّى دِينَهُمْ دِينًا، لِأَنَّهُمُ اعْتَقَدُوهُ وَتَوَلَّوْهُ. وَقِيلَ: الْمَعْنَى لَكُمْ جَزَاؤُكُمْ وَلِيَ جَزَائِي، لِأَنَّ الدِّينَ الْجَزَاءُ.

[4] Nasiruddin al-Baydāwī. Anwār al-Tanzīl wa Asrar al-Ta’wil. Beiroet, Dār Iḥyā al-Turāth al-‘Arabī, 1996, d. 5 p. 343.

وقد فسر ال دِينِ بالحساب والجزاء والدعاء والعبادة.

[5] A. ibn al-Jawzī, Zād al-Masīr fī ‘ilm al-Tafsīr. Beiroet, d. 4 p. 499.

ذكر سبب نزولها: اختلفوا على ثلاثة أقوال «1» :

(1575) أحدها: أن رهطاً من قريش منهم الوليد بن المغيرة، والعاص بن وائل، والأسود بن عبد يغوث لقوا العباس بن عبد المطلب، فقالوا: يا أبا الفضل: لو أن ابن أخيك أسلم بعض آلهتنا لصدقناه بما يقول ولآمنّا بإلهه، فأتاه العباس فأخبره فنزلت هذه السورة، رواه أبو صالح عن ابن عباس.

(1576) والثاني: أن عتبة بن ربيعة، وأميّة بن خَلَف لقيا رسول الله صلّى الله عليه وسلم فقالا يا محمد: لا ندعك حتى تتبع ديننا، ونتبع دينك، فإن كان أمرنا رشداً كنتَ قد أخذتَ بحظِّك منه، وإن كان أمرك رشداً كنا قد أخذنا بحظنا منه، فنزلت هذه السّورة، قاله عبيد بن عمير.

(1577) والثالث: أنّ قريشا قالوا للنبيّ صلّى الله عليه وسلم: إن سَرَّك أن نتبع دينك عاماً، وترجع إلى ديننا عاماً، فنزلت هذه السورة، قاله وهب. قال مقاتل في آخرين: نزلت هذه السورة في أبي جهل وفي المستهزئين، ولم يؤمن من الذين نزلت فيهم أحد

[6] N. al-Baydāwī. Anwār al-Tanzīl wa Asrar al-Ta’wil, d. 5 p. 343.

لَكُمْ دِينُكُمْ الذي أنتم عليه لا تتركونه. وَلِيَ دِينِ ديني الذي أنا عليه لا أرفضه، فليس فيه إذن في الكفر ولا منع عن الجهاد ليكون منسوخاً بآية القتال، اللهم إلا إذا فسر بالمتاركة وتقرير كل من الفريقين الآخر على دينه، وقد فسر ال دِينِ بالحساب والجزاء والدعاء والعبادة.

[7] Wahba al-Zuḥaylī, al-Tafsīr al-Munīr fī al-‘Aqīdat wa al-Sharī’at wa al-Manhaj. Damascus, Dār al-Fikr al-Mu’āsir, 1418 h., d. 30, p. 443.

وليست السورة منسوخة بآية القتال، والمحققون على أنه لا نسخ، بل المراد التهديد، كقوله تعالى: اعْمَلُوا ما شِئْتُمْ [فصلت 41/ 40] .

ونظير هذه الآية قوله تعالى: وَإِنْ كَذَّبُوكَ فَقُلْ: لِي عَمَلِي، وَلَكُمْ عَمَلُكُمْ، أَنْتُمْ بَرِيئُونَ مِمَّا أَعْمَلُ، وَأَنَا بَرِيءٌ مِمَّا تَعْمَلُونَ [يونس 10/ 41] وقوله:

لَنا أَعْمالُنا، وَلَكُمْ أَعْمالُكُمْ [القصص 28/ 55] . والمراد بذلك كله التهديد، لا الرضا بدين الآخرين.

وقد استدل الإمام أبو عبد اللَّه الشافعي وغيره بهذه الآية الكريمة: لَكُمْ دِينُكُمْ وَلِيَ دِينِ على أن الكفر كله ملة واحدة، فورّث اليهود من النصارى وبالعكس إذا كان بينهما نسب أو سبب يتوارث به لأن الأديان ما عدا الإسلام كلها كالشيء الواحد في البطلان.

[8] Muhammad al-Būṭī, al-Jihād. Damascus, Dar al-Fikr, 1993, p. 95.

 

Ismāʿīl Ḥaqqī al-Brūsawī (1653 – 1725)

قال أبو الليث: “فيها دليل على أن الرجل إذا رأى منكرا او سمع قولا منكرا فأنكره ولم يقبلوا منه لا يجب عليه أكثر من ذلك وإنما عليه مذهبه وطريقه وتركهم على مذهبهم وطريقهم

« Jullie religie [en zijn voorschriften] gaat enkel jullie aan en mijn religie is mijn zaak. Er kan dus geen compromis zijn tussen onze beide cultussen. » Abū al-Layṯ[1] heeft gezegd: « In dit vers ligt een argument om te stellen dat wanneer men iets ziet of hoort dat hij afkeurt, hij niet het recht heeft om dat te laten merken [met wijze raad]. Hij mag er niet op ingaan. Hij moet dus op zijn eigen weg blijven en de anderen achterlaten op de hunne » (B. 10, p. 527).

[1] Hanafietische imam uit de Xe eeuw, auteur van de exegese baḥr al-ʿulūm (de zee van de wetenschappen).

 

Wahba al-Zuḥaylī (1932 – 2015)

ونظير هذه الآية قوله تعالى: “وَإِن كَذَّبُوكَ فَقُل لِّي عَمَلِي وَلَكُمْ عَمَلُكُمْ ۖ أَنتُم بَرِيئُونَ مِمَّا أَعْمَلُ وَأَنَا بَرِيءٌ مِّمَّا تَعْمَلُونَ 

Dit vers betekent niet dat de profeet het polytheïsme erkent maar dat hij zich kwijtscheldt van elke verantwoordelijkheid door te zeggen, zoals in dat andere vers : « doe wat je wilt ».

We vinden soortgelijke verzen in de Koran:

(وَإِن كَذَّبُوكَ فَقُل لِّي عَمَلِي وَلَكُمْ عَمَلُكُمْ ۖ أَنتُم بَرِيئُونَ مِمَّا أَعْمَلُ وَأَنَا بَرِيءٌ مِّمَّا تَعْمَلُونَ)

« En als zij jou van leugens betichten, zeg dan : « Voor mij is wat ik doe en voor jullie wat jullie doen. Jullie hebben niets te maken met wat ik doe en ik heb niets te maken met wat julie doen . » »[1]

Of nog:

(وَإِذَا سَمِعُوا اللَّغْوَ أَعْرَضُوا عَنْهُ وَقَالُوا لَنَا أَعْمَالُنَا وَلَكُمْ أَعْمَالُكُمْ سَلَامٌ عَلَيْكُمْ لَا نَبْتَغِي الْجَاهِلِين)

« En wanneer zij geklets horen dan mijden zij het en zij zeggen: « Wij hebben onze daden en jullie hebben jullie daden. Vrede zij met jullie! Wij zoeken geen omgang met de ontwetenden. » »[2] (B. 15, p. 844)

[1] Joenoes (Yūnus), Soera 10 Vers 41.

[2] Het verhaal (al-Qaṣaṣ), Soera 28 Vers 55.

 

Nāṣir Mukārim al-Šayrāzī (geboren in 1926)

فقام على رؤوس قريش ثم قرأ عليهم حتى فرغ من السورة فأيسوا عند ذلك، فآذوه وآذوا أصحابه

Een groep Qurayšieten vroeg de profeet: « Als jij onze religie volgt, Mohammed, dan volgen wij ook de jouwe en betrekken we jou bij onze zaken. Je hoeft enkel een jaartje onze goden te dienen en het volgende jaar zullen we dan die van jou aanbidden. Zo profiteert elk van de voordelen van andermans religie. » De profeet antwoordde: « Dat Allah me ervan weerhoudt om een andere godsdienst aan de Zijne vast te haken. » Daarop zeiden ze: « Erken dan op zijn minst enkele van onze godheden, dan geloven wij jou en zullen we jouw godheid aanbidden. » Waarop hij opnieuw antwoordde: « Ik wacht af wat mijn Heer voor me brengt. » Toen werd deze soera geopenbaard. De profeet keerde vervolgens terug naar de heilige Moskee al-Ḥarām. Hij zegde er de soera op aan de leiders van de Qurayšieten die, teleurgesteld dat ze hem niet hadden kunnen overtuigen, besloten om de profeet en zijn gezellen te vervolgen. (B. 15, p. 445)

Pakistaanse Mithi, een oase van moslim-hindoetolerantie
Recitatie van de Surah 109 al-kāfirūn door 'Abdul-Basit' Abdel-Samad