De strijd moet defensief zijn

20 februari 2020

إِلَّا الَّذِينَ يَصِلُونَ إِلَىٰ قَوْمٍ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَهُم مِّيثَاقٌ أَوْ جَاءُوكُمْ حَصِرَتْ صُدُورُهُمْ أَن يُقَاتِلُوكُمْ أَوْ يُقَاتِلُوا قَوْمَهُمْ ۚ وَلَوْ شَاءَ اللَّـهُ لَسَلَّطَهُمْ عَلَيْكُمْ فَلَقَاتَلُوكُمْ فَإِنِ اعْتَزَلُوكُمْ فَلَمْ يُقَاتِلُوكُمْ وَأَلْقَوْا إِلَيْكُمُ السَّلَمَ فَمَا جَعَلَ اللَّـهُ لَكُمْ عَلَيْهِمْ سَبِيلًا

 

fa-ˈini ʿtazalūkum fa-lam yuqātilūkum
wa-ˈalqaw ˈilaykumu s-salama fa-mā ǧaʿala llāhu lakum ʿalayhim sabīlan

 

Behalve degenen die zich aansluiten bij een volk, waarmee jullie een wederzijds verdrag hebben, of (zij) die tot jullie komen met een beklemd gemoed omdat zij tegen jullie zouden moeten strijden. Indien Allah dat gewild had, had Hij hen over jullie kunnen laten heersen, of jullie laten doden. Daarom, als zij zich van jullie afzijdig houden en niet tegen jullie strijden en jullie vrede aanbieden, dan heeft Allah voor jullie geen weg tegen hen geopend (om hen te doden).

 

al-Nisāʾ 4, 90

De eerste kwestie die dit vers naar voren brengt is een uitzondering en het is uiteraard belangrijk om meteen goed uit te klaren waar die uitzondering over gaat. Abū Ja’far al-Ṭabarī zegt dat ze verwijst naar het vers ervoor[1], namelijk: ‘’Zij zouden graag willen dat jullie ongelovig werden, zoals zij dat zijn; dan zouden jullie gelijk zijn. Neemt van hen dus niemand als medestander zolang zij niet uitwijken op Gods weg. Als zij zich afkeren, grijpt hen dan en doodt hen waar jullie hen vinden. Neemt van hen niemand als medestander of als helper.’’[2]

De geleerden hebben gesproken over de betekenis van het woord ‘aansluiten’. Fakhr al-Dīn al-Rāzī vermeldt twee opinies hierover. De eerste interpretatie zegt dat wanneer moslims een verbintenis hebben met een bepaald volk of stam, er dan uiteraard vrede heerst tussen hen beide. Ook wanneer iemand zich aansluit bij het volk of de stam waarmee de moslims een verbintenis hebben, maakt die persoon daar onderdeel van uit en is het verboden om hem kwaad aan te doen. Een andere mening is dat het hier zou handelen om familiebanden, dus dat mensen die een familieband hebben met de moslims altijd een soort verbond hebben met hen. Die tweede mening is echter zwak, want we weten dat de moslims tijdens de veldslagen met de inwoners van Mekka ook vaak hadden gevochten tegen hun familieleden.[3]

Het is ook duidelijk op te maken uit dit vers dat de strijd enkel is toegestaan als er de vrees bestaat dat de moslims zullen worden bestreden.[4] Het woord ‘al-salam’ wordt door Muqātil en al-Rabī’ uitgelegd als vrede, zoals ibn al-Jawzī aanhaalt.[5] Dus degenen waarmee de moslims vrede hebben, dienen niet bestreden te worden. ‘Geen weg om tegen hen op te treden’, oftewel ze hebben op die manier zichzelf en hun eigendommen veiliggesteld.[6]

Er zijn Tafsīr-exegeten die zeggen dat dit vers geabrogeerd is door het zwaardvers, net als vele andere  verzen met soortgelijke inhoud. In dat geval zouden er in totaal zo’n 124 verzen geabrogeerd moeten zijn.[7] Dat is voor heel wat specialisten, waaronder Fakhr al-Dīn al-Rāzī, een te groot aantal.[8] De meerderheid van de geleerden is het erover eens dat vers 5 in hoofdstuk 9 het zogeheten zwaardvers is, zoals onder andere ibn Kathīr aangeeft.[9] We hebben al kort gesproken over abrogatie, dus het opheffen van een vers door een ander vers. Er bestaan hiertoe een aantal voorwaarden, bijvoorbeeld het geval waarbij die beide verzen onderling tegenstrijdig zijn, zodat het onmogelijk is om ze samen te nemen. Nu wil ik een aantal argumenten opsommen waarbij ik duidelijk maak dat het niet mogelijk is om te spreken over abrogatie door het zwaardvers.

  1. De meeste verzen die als geabrogeerd vermeld worden, staan niet echt in lijn met het zwaardvers. Ze spreken over andere onderwerpen zoals goede manieren, omgang met andere mensen en dergelijke.
  2. De interpretaties zijn subjectief en we brengen geen zeker bewijs. Er waren zelfs mensen, zoals al-Ṭabarī, die opperden dat het zwaardvers is teniet gedaan. De abrogatie door of van het zwaardvers is een interpretatie.
  3. Het is mogelijk om talrijke verzen te verzoenen met het zwaardvers en met de verzen die erop volgen. We hebben eerder al gezien dat zij op die manier erg genuanceerd worden. Met dat in het achterhoofd vormt het geen probleem om het zwaardvers te verzoenen met verzen over vredelievendheid. Daarom zijn veel geleerden van exegese van mening dat die verzen niet geabrogeerd zijn door het zwaardvers; zoals we lezen bij al-Naḥḥās, al-Ṭabarī en vele andere.[10]

[1] Muhammad, al-Tabarī, Jamī’ al-Bayān fī Ta’wīl al-Qur’ān. Beiroet, Mu’assastu al-Risāla 2000, d. 8, p. 19.

القول في تأويل قوله: {إِلا الَّذِينَ يَصِلُونَ إِلَى قَوْمٍ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَهُمْ مِيثَاقٌ}

قال أبو جعفر: يعني جل ثناؤه بقوله:”إلا الذين يصلون إلى قوم بينكم وبينهم ميثاق”، فإن تولىَّ هؤلاء المنافقون الذين اختلفتم فيهم عن الإيمان بالله ورسوله، وأبوا الهجرة فلم يهاجروا في سبيل الله، فخذوهم واقتلوهم حيث وجدتموهم، سوى من وَصل منهم إلى قوم بينكم وبينهم مُوادعة وعهد وميثاق، (1) فدخلوا فيهم، وصاروا منهم، ورضوا بحكمهم، فإن لمن وصل إليهم فدخل فيهم من أهل الشرك راضيًا بحكمهم في حقن دمائهم بدخوله فيهم: أن لا تسبى نساؤهم وذراريهم

[2] Koran, hoofdstuk 4, vers 89.

[3] Fakhr al-Dīn, al-Rāzī, Mafātīh al-Ghayb. Beiroet, Dar-Ihya Turath al-Arabi, 1998, d. 10, p. 171.

الْمَسْأَلَةُ الْأُولَى: فِي قَوْلِهِ: يَصِلُونَ قَوْلَانِ: الْأَوَّلُ: يَنْتَهُونَ إِلَيْهِمْ وَيَتَّصِلُونَ بِهِمْ، وَالْمَعْنَى أَنَّ كُلَّ مَنْ دَخَلَ فِي عَهْدِ مَنْ كَانَ دَاخِلًا فِي عَهْدِكُمْ فَهُمْ أَيْضًا دَاخِلُونَ فِي عَهْدِكُمْ. قَالَ الْقَفَّالُ رَحِمَهُ اللَّه: وَقَدْ يَدْخُلُ فِي الْآيَةِ أَنْ يَقْصِدَ قَوْمٌ حَضْرَةَ الرَّسُولِ صَلَّى اللَّه عَلَيْهِ وَسَلَّمَ فَيَتَعَذَّرَ عليهم ذلك المطلوب فيلجئوا إِلَى قَوْمٍ بَيْنَهُمْ وَبَيْنَ الْمُسْلِمِينَ عَهْدٌ إِلَى أَنْ يَجِدُوا السَّبِيلَ إِلَيْهِ.

الْقَوْلُ الثَّانِي: أَنَّ قَوْلَهُ: يَصِلُونَ مَعْنَاهُ يَنْتَسِبُونَ، وَهَذَا ضَعِيفٌ لِأَنَّ أَهْلَ مَكَّةَ أَكْثَرُهُمْ كَانُوا مُتَّصِلِينَ بِالرَّسُولِ مِنْ جِهَةِ النَّسَبِ مَعَ أَنَّهُ صَلَّى اللَّه عَلَيْهِ وَسَلَّمَ كَانَ قَدْ أَبَاحَ دَمَ الْكُفَّارِ مِنْهُمْ.

[4] F, al-Rāzī, Mafātīh al-Ghayb, d. 10, p. 172.
المسألة الأولى: قوله تعالى: أَوْ جاؤُكُمْ يَحْتَمِلُ أَنْ يَكُونَ عَطْفًا عَلَى صِلَةِ الَّذِينَ وَالتَّقْدِيرُ: إِلَّا الَّذِينَ يَصِلُونَ بِالْمُعَاهَدِينَ أَوِ الَّذِينَ حَصِرَتْ صُدُورُهُمْ فَلَا يُقَاتِلُونَكُمْ، وَيَحْتَمِلُ أَنْ يَكُونَ عَطْفًا عَلَى صِفَةِ «قَوْمٍ» وَالتَّقْدِيرُ: إِلَّا الَّذِينَ يَصِلُونَ إِلَى قَوْمٍ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَهُمْ عَهْدٌ، أَوْ يَصِلُونَ إِلَى قَوْمٍ حَصِرَتْ صُدُورُهُمْ فَلَا يُقَاتِلُونَكُمْ، والأوّل أولى لوجهين: أحدهما: قوله تعالى: فَخُذُوهُمْ وَاقْتُلُوهُمْ حَيْثُ وَجَدْتُمُوهُمْ [النساء: 89] وَهَذَا يَدُلُّ عَلَى أَنَّ السَّبَبَ الْمُوجِبَ لِتَرْكِ التَّعَرُّضِ لَهُمْ هُوَ تَرْكُهُمْ لِلْقِتَالِ، وَهَذَا إِنَّمَا يَتَمَشَّى عَلَى الِاحْتِمَالِ الْأَوَّلِ، وَأَمَّا عَلَى الِاحْتِمَالِ الثاني فالسبب الموجب لترك التعرض لهم وهو الِاتِّصَالُ بِمَنْ تَرَكَ الْقِتَالَ. الثَّانِي: أَنَّ جَعْلَ تَرْكِ الْقِتَالِ مُوجِبًا لِتَرْكِ التَّعَرُّضِ أَوْلَى مِنْ جَعْلِ الِاتِّصَالِ بِمَنْ تَرَكَ الْقِتَالَ سَبَبًا قَرِيبًا لترك التعرض، لا ن عَلَى التَّقْدِيرِ الْأَوَّلِ يَكُونُ تَرْكُ الْقِتَالِ سَبَبًا قَرِيبًا لِتَرْكِ التَّعَرُّضِ، وَعَلَى السَّبَبِ الثَّانِي يَصِيرُ سَبَبًا بَعِيدًا.

[5] Abū al-Faraj ibn al-Jawzī, Zād al-Masīr fī ‘ilm al-Tafsīr. Beiroet, Dār al-Kitāb al-‘Arabī, 1422 h., d. 1 p. 446.

وفي السَّلَمَ قولان: أحدهما: أنه الإِسلام، قاله الحسن. والثاني: الصُلح، قاله الربيع، ومقاتل.

[6] Jalāl al-Dīn al-Suyūtī en Jalāl al-Dīn al-Maḥallī, Tafsir al-Jalālayn. Caïro, Dār al-Ḥadīth, p. 117.

{فَإِنْ اعتزلوكم فَلَمْ يُقَاتِلُوكُمْ وَأَلْقَوْا إلَيْكُمْ السَّلَم} الصُّلْح أَيْ انْقَادُوا {فَمَا جَعَلَ اللَّه لَكُمْ عَلَيْهِمْ سَبِيلًا} طريقا بالأخذ والقتل

[7] Jalāl al-Dīn, al-Suyūṭī, al-Iṭqān fī ‘Ulūm al-Qur’ān. Caïro, Matba’at al-Mashhad al-Ḥusaynī, 1967, d. 2, p. 64.

[8] Fakhr al-Dīn, al-Rāzī, Mafatīh al-Ghayb. Beiroet, Dar-Ihya Turath al-Arabi, 1998, d. 27, p. 339.

[9] Isma’īl, Ibn Kathīr, Tafsīr al-Qur’ān al-‘Adhīm. Riyad, Dār li al-Nashr wa al-Tawzī’, 1999, d. 4 , p. 112.

[10] Abū Ja’far al-Naḥḥās, Al-Nasikh wa al-Mansukh. Koeweit, Maktabat Dār al-Fallāḥ, 1988, p. 108.

Ismāʿīl Ḥaqqī al-Brūsawī (1653 – 1725)

الا الذين يتصلون وينتهون الى قوم عاهدوكم ولم يحاربوكم […] والذين جاؤوكم كافين عن قتالكم وقتال قومهم

Vecht niet tegen degenen met wie je een [niet-aanvals-] pact hebt en die niet tegen je vechten, of tegen zij die gekweld naar jou komen omdat ze moeten deelnemen aan het conflict en daarom de onderlinge strijd willen staken. Het handelt over de stam Mudliǧ[1] die gezworen had om niet te vechten tegen de moslims maar eveneens niet tegen de poytheïsten van de Qurayš. « Allah opent niet de weg tot hen », of in andere woorden, Hij staat jullie niet toe ze te verslaan (B.2, p. 257)

 

Wahba al-Zuḥaylī (1932 – 2015)

وهذا كله تأكيد لحرص الإسلام على السلم والأمن والعهد والصلح

Al deze voorschriften illustreren dat de islam wil streven naar vrede, veiligheid, samenwerkingsovereenkomsten en verzoening. Al-Rāzī[1] heeft gezegd: « De meerderheid[2] [van de exegeten] zegt dat het niet toegelaten is om de strijd te voeren, tegen zij die ons niet bekampen en om vrede vragen. In die betekenis zijn er ook andere verzen:

« God verbiedt niet dat jullie hen die niet wegens de godsdienst tegen jullie gestreden hebben en die jullie niet uit jullie woningen verdreven hebben, met respect en rechtvaardig behandelen. God bemint hen die rechtvaardig handelen. »[3]

Of nog:

« En bestrijdt op Gods weg hen die jullie bestrijden, maar begaat geen overtredingen; God bemint de overtreders niet ! [4] »

(B. 3, p. 204)

[1] Faḫr al-Dīn al-Rāzī (1150 – 1208) is auteur van een beroemde exegese al-tafsīr al-kabīr (de grote exegese).

[2] Namelijk zij die denken dat het vers niet is afgeschaft.

[3] Zij die op de proef gesteld wordt (al-Mumtaḥana), Soera 60 Vers 8.

[4] De koe (al-Baqara), Soera 2 Vers 190.

 

Nāṣir Mukārim al-Šayrāzī (geboren in 1926)

وهذا كله تأكيد لحرص الإسلام على السلم والأمن والعهد والصلح

De eerst aangegeven groep mag niet bevochten worden uit respect voor het van kracht zijnde pact. De tweede groep heeft zijn neutraliteit bekendgemaakt in het conflict. Hen bestrijden gaat daarom in tegen de rechtvaardigheid en vecht de wellevendheid aan (B. 3, p. 209).

 

“فمجابهتها تتعارض مع مبادئ العدالة والمروءة.”

De eerst aangegeven groep mag niet bevochten worden uit respect voor het van kracht zijnde pact. De tweede groep heeft zijn neutraliteit bekendgemaakt in het conflict. Hen bestrijden gaat daarom in tegen de rechtvaardigheid en vecht de wellevendheid aan.

“وهذا كله تأكيد لحرص الإسلام على السلم والأمن والعهد والصلح.”

Al deze voorschriften illustreren dat de islam wil streven naar vrede, veiligheid, samenwerkingsovereenkomsten en verzoening. Al-Rāzī[2] heeft gezegd: « De meerderheid[3] [van de exegeten] zegt dat het niet toegelaten is om de strijd te voeren, tegen zij die ons niet bekampen en om vrede vragen. In die betekenis zijn er ook andere verzen:

« God verbiedt niet dat jullie hen die niet wegens de godsdienst tegen jullie gestreden hebben en die jullie niet uit jullie woningen verdreven hebben, met respect en rechtvaardig behandelen. God bemint hen die rechtvaardig handelen. »[4]

Of nog:

« En bestrijdt op Gods weg hen die jullie bestrijden, maar begaat geen overtredingen; God bemint de overtreders niet ! [5] »

 

[1] Stam destijds in de streek van al-ʿAšīra, ten zuiden van Medina.

[2] Faḫr al-Dīn al-Rāzī (1150 – 1208) is auteur van een beroemde exegese al-tafsīr al-kabīr (de grote exegese).

[3] Namelijk zij die denken dat het vers niet is afgeschaft.

[4] Zij die op de proef gesteld wordt (al-Mumtaḥana), Soera 60 Vers 8.

[5] De koe (al-Baqara), Soera 2 Vers 190.