Enkel Allah is de gids

1 augustus 2019

إِنَّكَ لَا تَهْدِي مَنْ أَحْبَبْتَ وَلَـكِنَّ اللَّـهَ يَهْدِي مَن يَشَاءُ وَهُوَ أَعْلَمُ بِالْمُهْتَدِينَ

 

ˈinnaka lā tahdī man ˈaḥbabta wa-lākinna llāha yahdī man yašāˈu wa-huwa ˈaʿlamu bi-l-muhtadīna 

Voorwaar, jij kunt degene die jij liefhebt geen leiding geven. Maar Allah leidt wie Hij wil, en Hij kent degenen die leiding volgen het best.

al-qaṣaṣ 28, 56

Toen de dood van Abū Ṭālib dichterbij kwam, ging de Profeet naar hem toe terwijl Abu Jahl en ‘Abdullah bin Abi Umaiya bij hem waren. De Profeet zei, “Oh oom, zeg: ‘Niemand heeft het recht om aanbeden te worden behalve Allah’, zodat ik daarmee uw zaak kan bepleiten bij Allah.” Daarop zeiden Abu Jahl en ‘Abdullah bin Abu Umaiya, “Oh Abū Ṭālib! Wil je afstand doen van het geloof van ‘Abdul Muṭallib?” Toen zei de Profeet, “Ik zal (Allah) blijven vragen dat Hij je vergeeft tenzij Allah mij daartoe verbiedt.” Toen openbaarde Allah het volgende: {Het past de Profeet en degenen die geloven niet dat zij de veelgodenaanbidders om vergeving vragen, ook al zijn zij verwanten, nadat het hen duidelijk is geworden dat zij de bewoners van de Hel zijn.}[1] En over Abū Ṭālib werd geopenbaard: {Voorwaar, jij kunt degene die jij liefhebt geen leidinggeven. Maar Allah leidt wie Hij wil, en Hij kent degenen die leiding volgen het best.}.[2] Al-Qurṭubī geeft aan dat alle Tafsīr-geleerden het er unaniem over eens zijn dat dit vers handelt over de oom van de profeet Mohammed (vzmh).

Vervolgens haalt al-Qurṭubī deze woorden van Abū Rawq aan: ‘’De woorden van Allah {Maar Allah leidt wie Hij wil} wijst naar al- ‘Abbās,[3]’’ en dat zei Qaṭāda ook.[4]

De profeet Mohamed (vzmh) wou dat de hele mensheid tot de islam zou komen. Leiding komt echter van Allah. De mens is niet in staat om iemand te leiden, zelfs de beste der schepselen (vzmh) niet, geeft ibn ‘Ajība aan. Vervolgens zegt ibn ‘Ajība dat dit vers niet specifiek is voor de profeet Mohammed (vzmh), maar voor alle mensen geldt. Als de profeet Mohammed (vzmh) leiding in de teugels had gehad, was zijn oom, waar hij zielsveel van hield, door de Profeet (vzmh) geleid. Als het zomaar in handen lag van de profeet Noah (vzmh) had hij zijn zoon Kan’ān geleid, en dan had de profeet Ābraham ook zijn vader Āzar geleid enz.[5]

Dit vers laat heel duidelijk zien dat het mogelijk is om van iemand te houden die geen moslim is. Want Allah bevestigt dat de profeet Mohammed (vzmh) hield van iemand die geen leiding had gekregen. Al-Qurṭubī geeft aan dat de uitspraak {degene die jij liefhebt} zou betekenen: ‘’Degene voor wie jij leiding liefhebt’’ een zwakkere uitspraak is.[6] Het gaat hier dus daadwerkelijk om het houden van iemand die niet gelooft – hier heb ik eerder over gesproken in week 24.

Op de profeet Mohammed (vzmh) rust dus louter zijn oproep tot het geloof, want hij is niet in staat om iemand te leiden.[7]Allah zegt: {En de Boodschapper is slechts verantwoordelijk voor de duidelijke verkondiging.}[8] Dat deed de profeet ook op allerlei manieren en vooral op zachtaardige wijze. Allah zegt: {En het was dankzij de Barmhartigheid van Allah dat jij zacht met hen was en als je streng en hardvochtig was geweest, dan waren zij rondom jou uiteengegaan. Vergeef hen dus (hun fouten) en vraag vergeving voor hen}.[9] Ibn ‘Ajība vertelt dat de profeet de mensen uitnodigde naar de islam. Zij hadden echter vele excuses, zoals Allah aangeeft in het daaropvolgende vers: {En zij zeiden: “Als wij de leiding met jou volgen, dan worden wij uit ons land gedreven.” Hebben Wij hen dan niet op een gewijde en een veilige plaats doen vestigen, waarheen allerlei soorten vruchten worden gebracht, als een levensvoorziening van Onze zijde? Maar de meesten van hen weten het niet.}[10]

 

[1] Koran, hoofdstuk 9, vers 113.

[2] Isma’īl, Ibn Kathīr, Tafsīr al-Qur’ān al-‘Adhīm. Riyad, Dār li al-Nashr wa al-Tawzī’, 1999, d. 6, p. 246.

قَالَ الزُّهْرِيُّ: حَدَّثَنِي سَعِيدُ بْنُ المسَيَّب، عَنْ أَبِيهِ -وَهُوَ الْمُسَيَّبُ بْنُ حَزْن الْمَخْزُومِيُّ، رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ -قَالَ: لَمَّا حَضَرَتْ أَبَا طَالِبٍ الْوَفَاةُ جَاءَهُ رَسُولِ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ، فَوَجَدَ عِنْدَهُ أَبَا جَهْلِ بْنَ هِشَامٍ، وَعَبْدَ اللَّهِ بْنَ أَبِي أُمَيَّةَ بْنِ الْمُغِيرَةِ. فَقَالَ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ: “يَا عَمِّ، قُلْ: لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ، كَلِمَةٌ أَشْهَدُ لَكَ بِهَا عِنْدَ اللَّهِ”. فَقَالَ أَبُو جَهْلٍ وَعَبْدُ اللَّهِ بْنُ أَبِي أُمَيَّةَ: يَا أَبَا طَالِبٍ، أَتَرْغَبُ عَنْ مِلَّةِ عَبْدِ الْمُطَّلِبِ؟ فَلَمْ يَزَلْ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ يَعْرِضُهَا عَلَيْهِ، وَيَعُودَانِ لَهُ بِتِلْكَ الْمَقَالَةِ، حَتَّى قَالَ آخَرَ مَا قَالَ: هُوَ عَلَى مِلَّةِ عَبْدِ الْمُطَّلِبِ. وَأَبَى أَنْ يَقُولَ: لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهِ. فَقَالَ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ: “أَمَا لَأَسْتَغْفِرَنَّ لَكَ مَا لَمْ أُنْهَ عَنْكَ”. فَأَنْزَلَ اللَّهُ عَزَّ وَجَلَّ: {مَا كَانَ لِلنَّبِيِّ وَالَّذِينَ آمَنُوا أَنْ يَسْتَغْفِرُوا لِلْمُشْرِكِينَ وَلَوْ كَانُوا أُولِي قُرْبَى} [التوبة: 113] ، بوأنزل فِي أَبِي طَالِبٍ: {إِنَّكَ لَا تَهْدِي مَنْ أَحْبَبْتَ وَلَكِنَّ اللَّهَ يَهْدِي مَنْ يَشَاءُ} .

[3] Een andere oom van de profeet Mohammed (vzmh) die wel was bekeerd tot de Islam.

[4] Abū ‘Abd Allah al-Qurtubī, al-Jāmī’ li al-Ahkām al-Qur’ān. Caïro, Dār al-Kutub al-Misriyya, 1964, d. 13, p. 299.

(إِنَّكَ لَا تَهْدِي مَنْ أَحْبَبْتَ) قَالَ الزَّجَّاجُ: أَجْمَعَ الْمُسْلِمُونَ عَلَى أَنَّهَا نَزَلَتْ فِي أَبِي طَالِبٍ. قُلْتُ: وَالصَّوَابُ أَنْ يُقَالَ أَجْمَعَ جُلُّ الْمُفَسِّرِينَ عَلَى أَنَّهَا نَزَلَتْ فِي شَأْنِ أَبِي طَالِبٍ عَمِّ النَّبِيِّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ، وَهُوَ نَصُّ حَدِيثِ الْبُخَارِيِّ وَمُسْلِمٍ، وَقَدْ تقدم الكلام ذَلِكَ فِي” بَرَاءَةٌ” «1». وَقَالَ أَبُو رَوْقٍ قَوْلُهُ: (وَلكِنَّ اللَّهَ يَهْدِي مَنْ يَشاءُ) إِشَارَةٌ إِلَى الْعَبَّاسِ. وَقَالَهُ قَتَادَةُ.

[5] Abū al-‘Abbās, ibn ‘Ajība, al-Baḥr al-Madīd. Cairo, Hasan ‘Abbās Zaki, 1419, d. 4, p. 263.

وهذه الآية تخاطب رسول الله صلى الله عليه وسلم بقولها: إِنَّكَ لا تَهْدِي مَنْ أَحْبَبْتَ، والحكم عام في كل أحد، وقد خص رسول الله صلى الله عليه وسلم بأتم الفضائل وأعلى الوسائل، حتى لم يُسْبَقْ لفضيلة، ولم يَحْتَجْ لوسيلة، وليس له في ذلك نظر، بل سابقة السعادة أيدته، والخصوصية قرَّبته، ولو كان له في التقدير نظر ما مُنع من الشفاعة في عمه أبي طالب، ومن الاستغفار لأبيه. ولو كانت الهداية بيد آدم لهدى قابيل، ولو كانت بيد نوح لهدى ولده كنعان، أو بيد إبراهيم لهدى أباه آرز، أو بيد محمد صلى الله عليه وسلم لأنقذ عمه أبا طالب، جذبت العنايةُ سلمان من فارس، وصاحت على بلال من الحبشة، وأبو طالب على الباب ممنوع من الدخول. سبحان من أعطى ومنع، وضر ونفع. هـ.

[6]  A. al-Qurtubī, al-Jāmī’ li al-Ahkām al-Qur’ān, d. 13, p. 299.

قِيلَ: مَعْنَى” مَنْ أَحْبَبْتَ” أَيْ مَنْ أَحْبَبْتَ أَنْ يَهْتَدِيَ

[7]I. Ibn Kathīr, Tafsīr al-Qur’ān al-‘Adhīm, d. 6, p. 246.

يَقُولُ تَعَالَى لِرَسُولِهِ، صَلَوَاتُ اللَّهِ وَسَلَامُهُ عَلَيْهِ: إِنَّكَ يَا مُحَمَّدُ {إِنَّكَ لَا تَهْدِي مَنْ أَحْبَبْتَ} أَيْ: لَيْسَ إِلَيْكَ ذَلِكَ، إِنَّمَا عَلَيْكَ الْبَلَاغُ، وَاللَّهُ يَهْدِي مَنْ يَشَاءُ، وَلَهُ الْحِكْمَةُ الْبَالِغَةُ وَالْحُجَّةُ الدَّامِغَةُ، كَمَا قَالَ تَعَالَى: {لَيْسَ عَلَيْكَ هُدَاهُمْ وَلَكِنَّ اللَّهَ يَهْدِي مَنْ يَشَاءُ} [الْبَقَرَةِ: 272] ، وَقَالَ: {وَمَا أَكْثَرُ النَّاسِ وَلَوْ حَرَصْتَ بِمُؤْمِنِينَ} [يُوسُفَ: 103] .

[8] Koran, hoofdstuk 24, vers 54.

[9] Koran, hoofdstuk 3, vers 159.

[10] A. ibn ‘Ajība, al-Baḥr al-Madīd, d. 4, p. 263.

ولما دعى صلى الله عليه وسلم قومه إلى الإسلام، تعللوا بعلل واهية، كما قال تعالى:

[سورة القصص (28) : آية 57]

وَقالُوا إِنْ نَتَّبِعِ الْهُدى مَعَكَ نُتَخَطَّفْ مِنْ أَرْضِنا أَوَلَمْ نُمَكِّنْ لَهُمْ حَرَماً آمِناً يُجْبى إِلَيْهِ ثَمَراتُ كُلِّ شَيْءٍ رِزْقاً مِنْ لَدُنَّا وَلكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لا يَعْلَمُونَ (57)

Ismāʿīl Ḥaqqī al-Brūsawī (1653 – 1725)

إن الله طيب لا يقبل إلا الطيب

 « Alle goede dingen zijn jullie toegelaten » want Allah is Goed en Hij houdt enkel van wat goed is. Het goede is alles wat we in smaak gemeenschappelijk hebben en niet als onzuiver beschouwen, en alles wat niet verboden is door de islamitische wet of door het oordeel van een expert (muǧtahid). (B. 2, p. 347)

 

Wahba al-Zuḥaylī (1932 – 2015)

أحل لكم أيها المؤمنين التزوج بالحرائر المؤمنات والكتابيات من اليهود والنصارى، سواء كنّ ذميات أو حربيات

De moslim heeft het recht om joodse vrouwen of vrije christenvrouwen[1] te huwen, ongeacht hun statuut. Ze kunnen onder bescherming staan van de islamitische wet (ḏimmiyyāt) of in oorlog zijn tegen de moslims. Als voorwaarde moet de moslim haar een bruidsschat geven die de unie officialiseert, en moet hij haar trouw blijven, publiek en privé. (B. 3, p. 444)

[1]  Wat niet impliceert dat ze niet het recht hebben om met de slavinnen te huwen. De voorkeur gaat uit naar een huwelijk met een vrije vrouw.

 

Nāṣir Mukārim al-Šayrāzī (geboren in 1926)

سمحت الآية بالتزاور بين المسلمين وغيرهم، وأحلت طعام بعضهم لبعض كما أحلت التزاوج فيما بينهم

Dit vers informeert ons dat gezond voedsel is toegelaten. Bovendien is het voedsel van de mensen van het Boek gepermitteerd voor de moslims, net als het voedsel van de moslims is toegelaten voor de mensen van het boek. Dit vers werd geopenbaard in een tijd waar de islam aanwezig werd in alle woongebieden van het Schiereiland. De vijanden van de islam wisten zich geen raad meer omdat ze die religie niet meer uit hun gebied konden krijgen. In een dergelijke situatie werden sommige verboden en restricties opgeheven om de moslims toe te laten samen te wonen met niet-moslims. Dit vers wil een zachtere toon aanslaan met wetten die een nieuwe verstandhouding inluiden met de lieden van het Boek. Nadat wetten en een juridisch apparaat waren ingevoerd, vergemakkelijkt dit vers het samenwonen tussen de volkeren door voedsel en huwelijk te legitimeren. (B. 3, p. 360)