De mensen zijn broeders die van elkaar verschillen en hebben als roeping elkaar te leren kennen

20 februari 2020

يَا أَيُّهَا النَّاسُ إِنَّا خَلَقْنَاكُم مِّن ذَكَرٍ وَأُنثَى وَجَعَلْنَاكُمْ شُعُوبًا وَقَبَائِلَ لِتَعَارَفُوا إِنَّ أَكْرَمَكُمْ عِندَ اللَّـهِ أَتْقَاكُمْ إِنَّ اللَّـهَ عَلِيمٌ خَبِيرٌ

 

yā-ˈayyuhā n-nāsu ˈinnā ḫalaqnākum min ḏakarin wa-ˈunṯā wa-ǧaʿalnākum šuʿūban wa-qabāˈila li-taʿārafū

 

O mensheid, Wij hebben jullie geschapen uit een man en een vrouw en Wij hebben jullie tot volken en stammen gemaakt, opdat jullie elkaar leren kennen. Voorwaar, de meest edele van jullie is bij Allah degene die het meest (Allah) vreest. Voorwaar, Allah is van alles op de hoogte, Alwetend.

 

al-ḥuǧurāt 49, 13

 

Photo van Alexis Congourdeau (All rights reserved)

Dit vers laat duidelijk zien dat de islam tegen racisme in al haar vormen is. In een tijd waarin een donkergekleurde persoon niet werd gezien als een mens gaf de islam die personen veel rechten.

Er zijn een aantal opinies omtrent de reden van openbaring van dit vers.
De eerste mening is dat dit vers handelt over Abū Hind. De profeet Mohammed (vzmh) had de stam Banū Bayāda opgedragen om Abū Hind te huwen met een vrouw uit hun stam. Hierop zeiden de mensen van Banū Bayāda: ‘’Moeten wij onze dochters huwen met onze slaven?’’ En bij die woorden werd het vers neergedaald.
Volgens een andere opinie is dit vers neergedaald omwille van Thābit b. Qays b. Shammās en degene die hem geen plaats gaf om te zitten. Toen die afwijzing plaatsvond zei Thābit laatdunkend tegen die man: ‘’Ben jij niet de zoon van die vrouw daar?’’ en vermeldde de naam van de moeder van hem. De profeet Mohammed (vzmh) kwam echter verhaal halen en vroeg wie degene was die over de moeder van de man kleinerend had gesproken. Thābit b. Qays zei: ‘’Ik, o Boodschapper van Allah.’’ De profeet Mohammed beval hem om te kijken naar de aanwezigen en vroeg wat hij zag. Thābit b. Qays noemde de verschillende soorten huidskleuren op. Daarop zei de profeet Mohammed (vzmh): ‘’Jij bent niet voortreffelijker dan hun, behalve met godsvrees. Hierop werd het vers geopenbaard aan Thābit b. Qays en aan de persoon die geen plaats maakte, openbaarde Allah het volgende: ‘’{O jullie die geloven, wanneer tot jullie gezegd wordt: “Maakt ruimte in de plaatsen van samenkomsten,” maakt dan ruimte; Allah zal voor jullie ruimte maken. En wanneer tot jullie gezegd wordt: “Staat op,” staat dan op; Allah zal degenen onder jullie die geloven en degenen aan wie kennis is gegeven in rang verheffen. En Allah is Alwetend over wat jullie doen.}’’[1]
De derde en laatste mening is die van ibn ‘Abbās. Hij zei: ‘’Op de dag van de verovering van Mekka had de profeet Mohammed (vzmh) Bilal opgedragen om de gebedsomroep voor te dragen op het dak van de Ka’ba. Hierop zei ‘Attāb b. Asīd b. Abī al-Īṣ: ‘’Alle lof zij Allah, Degene die de ziel van mijn vader heeft genomen, zodat hij deze dag niet heeft gezien.’’  Hārith b. al-Hishām zei: ‘’Heeft Mohammed niks anders gevonden dan deze zwarte kraai. Suhayl b. ‘Amr zei: ‘’Als Allah iets wilt, verandert hij dat.’’ Abū Sufyān zei: ‘’Ik zeg niks, want ik ben bang dat de Heer van de hemel erover bericht.’’ Hierna kwam Jibrīl bij de profeet Mohammed (vzmh) en informeerde hem daarover. De profeet Mohammed (vzmh) riep die mensen bijeen en bevroeg hun over hetgeen ze hadden gezegd. Toen ze dat hadden bevestigd, openbaarde Allah dit vers.’’[2]

Tijdens de afscheidspreek van de profeet Mohammed (vzmh) stond hij nogmaals stil bij het belang van de gelijkheid van alle mensen. Zo zei hij: ‘’O mensen! Luistert goed! Voorwaar, jullie Heer is Eén en jullie vader is één. Luistert goed! Er is geen enkele voortreffelijkheid voor een Arabier op een niet-Arabier, noch (is er enige voortreffelijkheid) voor een niet-Arabier op een Arabier. Er is geen voortreffelijkheid voor iemand met een lichte huidskleur op iemand met een donkere huidskleur, noch (is er enige voortreffelijkheid) voor iemand met een donkere huidskleur op iemand met een lichte huidskleur, behalve met godvrezendheid. Heb ik de boodschap overgebracht?’’ Daarop zeiden de metgezellen: ‘’Ja, de Boodschapper van Allah, vrede zij met hem, heeft de boodschap overgebracht.’’[3]

Abd al-Laṭīf al-Qushayrī onderschrijft ook dat de mens niks heeft om mee te pronken en geeft aan dat de meest eervolle mensen bij Allah het verst staan van hun eigen ego en het dichtst bij Allah.[4]

[1] Koran, hoofdstuk 58, vers 11.

[2] Abū ‘Abd Allah al-Qurtubī, al-Jāmī’ li al-Ahkām al-Qur’ān. Caïro, Dār al-Kutub al-Misriyya, 1964, d. 16, p. 340.

ذَكَرَهُ أَبُو دَاوُدَ فِي (الْمَرَاسِيلِ)، حَدَّثَنَا عَمْرُو بْنُ عُثْمَانَ وَكَثِيرُ بْنُ عُبَيْدٍ قَالَا حَدَّثَنَا بَقِيَّةُ بْنُ الْوَلِيدِ قَالَ حَدَّثَنِي الزُّهْرِيُّ قَالَ: أَمَرَ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ بَنِي بَيَاضَةَ أَنْ يُزَوِّجُوا أَبَا هِنْدٍ امْرَأَةً مِنْهُمْ، فَقَالُوا لِرَسُولِ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ: نزوج بَنَاتَنَا مَوَالِينَا؟ «1» فَأَنْزَلَ اللَّهُ عَزَّ وَجَلَّ:” إِنَّا خَلَقْناكُمْ مِنْ ذَكَرٍ وَأُنْثى وَجَعَلْناكُمْ شُعُوباً” الْآيَةَ. قَالَ الزُّهْرِيُّ: نَزَلَتْ فِي أَبِي هِنْدٍ خَاصَّةً. وَقِيلَ: إِنَّهَا نَزَلَتْ فِي ثَابِتِ بْنِ قَيْسِ بْنِ شَمَّاسٍ. وَقَوْلُهُ فِي الرَّجُلِ الَّذِي لَمْ يَتَفَسَّحْ لَهُ: ابْنُ فُلَانَةَ، فَقَالَ النَّبِيُّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ:] مَنْ الذَّاكِرُ فُلَانَةَ [؟ قَالَ ثَابِتٌ: أَنَا يَا رَسُولَ اللَّهِ، فَقَالَ النَّبِيُّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ:] انْظُرْ فِي وُجُوهِ الْقَوْمِ [فَنَظَرَ، فَقَالَ:] مَا رَأَيْتَ [؟ قَالَ رَأَيْتُ أَبْيَضَ وَأَسْوَدَ وَأَحْمَرَ، فَقَالَ:] فَإِنَّكَ لَا تَفْضُلُهُمْ إِلَّا بِالتَّقْوَى [فَنَزَلَتْ فِي ثَابِتٍ هَذِهِ الْآيَةُ. وَنَزَلَتْ فِي الرَّجُلِ الَّذِي لَمْ يَتَفَسَّحْ لَهُ:” يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِذا قِيلَ لَكُمْ تَفَسَّحُوا فِي الْمَجالِسِ” «2» [المجادلة: 11] الْآيَةَ. قَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: لَمَّا كَانَ يَوْمُ فَتْحِ مَكَّةَ أَمَرَ النَّبِيُّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ بِلَالًا حَتَّى عَلَا عَلَى ظَهْرِ الْكَعْبَةِ فَأَذَّنَ، فَقَالَ عَتَّابُ بْنُ أَسِيدِ بْنِ أَبِي الْعِيصِ: الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي قَبَضَ أَبِي حَتَّى لا يرى هذا اليوم. وقال الْحَارِثُ بْنُ هِشَامٍ: مَا وَجَدَ مُحَمَّدٌ غَيْرَ هَذَا الْغُرَابِ الْأَسْوَدِ مُؤَذِّنًا. وَقَالَ سُهَيْلُ بْنُ عَمْرٍو: إِنْ يُرِدِ اللَّهُ شَيْئًا يُغَيِّرْهُ. وَقَالَ أَبُو سُفْيَانَ: إِنِّي لَا أَقُولُ شَيْئًا أَخَافُ أَنْ يُخْبَرَ بِهِ رَبُّ السَّمَاءِ، فَأَتَى جِبْرِيلُ النَّبِيَّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ وَأَخْبَرَهُ بِمَا قَالُوا، فَدَعَاهُمْ وَسَأَلَهُمْ عَمَّا قَالُوا فَأَقَرُّوا، فَأَنْزَلَ اللَّهُ تَعَالَى هَذِهِ الْآيَةَ. زَجَرَهُمْ عَنِ التَّفَاخُرِ بِالْأَنْسَابِ، وَالتَّكَاثُرِ بِالْأَمْوَالِ، وَالِازْدِرَاءِ بِالْفُقَرَاءِ، فَإِنَّ الْمَدَارَ عَلَى التَّقْوَى. أَيِ الْجَمِيعُ مِنْ آدَمَ وَحَوَّاءَ، إِنَّمَا الْفَضْلُ بِالتَّقْوَى. وَفِي التِّرْمِذِيُّ عَنِ ابْنِ عُمَرَ أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ خَطَبَ بِمَكَّةَ فَقَالَ:] يَا أَيُّهَا النَّاسُ إن الله قد أذهب عنكم عيبة الْجَاهِلِيَّةِ وَتَعَاظُمَهَا بِآبَائِهَا. فَالنَّاسُ رَجُلَانِ: رَجُلٌ بَرٌّ تَقِيٌّ كَرِيمٌ عَلَى اللَّهِ، وَفَاجِرٌ شَقِيٌّ هَيِّنٌ عَلَى اللَّهِ. وَالنَّاسُ بَنُو آدَمَ وَخَلَقَ اللَّهُ آدَمَ مِنْ تُرَابٍ قَالَ اللَّهُ تَعَالَى:” يَا أَيُّهَا النَّاسُ إِنَّا خَلَقْناكُمْ مِنْ ذَكَرٍ وَأُنْثى وَجَعَلْناكُمْ شُعُوباً وَقَبائِلَ لِتَعارَفُوا إِنَّ أَكْرَمَكُمْ عِنْدَ اللَّهِ أَتْقاكُمْ إِنَّ اللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرٌ” [. خَرَّجَهُ مِنْ حَدِيثِ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ جَعْفَرٍ وَالِدِ عَلِيِّ بْنِ الْمَدِينِيِّ وَهُوَ ضَعِيفٌ، ضَعَّفَهُ يَحْيَى بْنُ مَعِينٍ وَغَيْرُهُ. وَقَدْ خَرَّجَ الطَّبَرِيُّ فِي كِتَابِ] آدَابِ النُّفُوسِ

[3] Musnad Aḥmed b. Ḥanbal, 22978

عَنْ أَبِي نَضْرَةَ : ” حَدَّثَنِي مَنْ سَمِعَ خُطْبَةَ رَسُولِ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ فِي وَسَطِ أَيَّامِ التَّشْرِيقِ فَقَالَ : ( يَا أَيُّهَا النَّاسُ أَلَا إِنَّ رَبَّكُمْ وَاحِدٌ وَإِنَّ أَبَاكُمْ وَاحِدٌ ، أَلَا لَا فَضْلَ لِعَرَبِيٍّ عَلَى أَعْجَمِيٍّ وَلَا لِعَجَمِيٍّ عَلَى عَرَبِيٍّ وَلَا لِأَحْمَرَ عَلَى أَسْوَدَ وَلَا أَسْوَدَ عَلَى أَحْمَرَ إِلَّا بِالتَّقْوَى ، أَبَلَّغْتُ ؟ ) قَالُوا : بَلَّغَ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ ”

[4] Abd al-Latif Al-Qushayrī, Latāif al-Ishārāt, Caïro, al-Hay’at al-Miṣriyyat al-‘Āmma li al-Kitāb, 2000, d. 3, p. 444.

إنّا خلقناكم أجمعكم من آدم وحواء، ثم جعلناكم شعوبا وقبائل لتعارفوا لا لتكاثروا ولا لتنافسوا. فإذا كانت الأصول تربة ونطفة وعلقة … فالتفاخر بماذا؟ أبا لحمأ المسنون؟ أم بالنطفة في قرار مكين؟ أم بما ينطوى عليه ظاهرك مما تعرفه؟! «1» وقد قيل: إنّ آثارنا تدل علينا … فانظروا بعدنا إلى الآثار

أم بأفعالك التي هي بالرياء مشوبة؟ أم بأحوالك التي هي بالإعجاب مصحوبة؟ أم بمعاملاتك التي هي ملأى بالخيانة؟

«إِنَّ أَكْرَمَكُمْ عِنْدَ اللَّهِ أَتْقاكُمْ؟ أتقاكم أي أبعدكم عن نفسه، فالتقوى هي التحرّر من النفس وأطماعها وحظوظها. فأكرم العباد عند الله من كان أبعد عن نفسه وأقرب إلى الله تعالى.

Ismāʿīl Ḥaqqī al-Brūsawī (1653 – 1725)

فيه اشارة الى ان الكفاءة في الحقيقة انما هي بالديانة أي الصلاح والحسب والتقوى والعدالة

Jullie stammen allen af van Adam en Eva (Ḥawāʾ) en jullie komen allen voort uit een vader en een moeder. Beroep je dus niet op je afkomst zoals je nu doet. De dichter zegt:

الناس من جهة التمثال أكفاه … ابو همو آدم والام حواء

فان يكن لهمو من أصلهم نسب … يفاخرون به فالطين والماء

« Mensen lijken op gehouwen sculpturen.

Want Adam hun vader en Eva de moeder.

Als dan de afkomst je dure reputatie construeert.

Dat de Mens dan het water en de aarde glorifieert.

Dit vers toont dat de echte verdienste van een persoon zich situeert in de praktijk van de godsdienst; dat wil zeggen in eerlijkheid, nederigheid, diep doorleefd zijn en gelijkheid. Daarom splitsen de volkeren en clans zich van elkaar af, vanuit een gemeenschappelijke stam, te vergelijken met de takken van een boom.Volkomen kennis over de verschillende afstammingslijnen is daarom enkel nuttig als dit de wederzijdse kennis van elke groep vooruit helpt, en niet om prat te gaan op zijn voorvaderen door te hameren op verschillen en overmacht van de familielijn. (B. 9, p. 90)

 

Wahba al-Zuḥaylī (1932 – 2015)

فدعاهم النبي وزجرهم على التفاخر بالأنساب والتكاثر بالأموال والازدراء بالفقراء

Toen de dag van de overwinning was aangebroken[1], klom Bilāl[2] op het dak van de Kaʿba om tot het gebed op te roepen. Sommigen verbaasden zich: « Is het echt die zwarte slaaf die ons op de Kaʿba  tot het gebed samenroept? » en anderen zegden: « Als Allah zich maar eens kon kwaad maken of iets terugzeggen, zodat Hij een vers openbaart om hem te vervangen. » Allah openbaarde toen dit vers:

« O mensen! We hebben jullie uit een man en een vrouw geschapen […] »

En zo werden ze toegeroepen door de profeet. Hij wreef hun trots op de bloedband aan, de overmaat van de rijken en de minachting voor de armen.

Mensen zijn broeders want allen komen van dezelfde vader en moeder. Ḥuḏayfa[3] vermeldt een Hadith van de profeet die zegt: « Jullie zijn allen de kinderen van Adam en hij werd geschapen uit klei. Dat een volk er dus mee ophoudt om zijn vaderen op te hemelen, want zo is het in Zijn ogen meer verwerpelijk dan een scarabee. » (B. 13, p. 581)

[1] De inname van Mekka door de moslims in 630.

[2] Gezel en bevrijde zwarte slaaf.

[3] Ḥuḏayfa ibn al-Yamān is onder ander gekend om door de profeet te zijn ingelicht met de namen van de hypocrieten die leefden in Medina. Zijn bijnaam luidt: « de bezitter van het geheim » (ṣāḥib al-sirr).

 

Nāṣir Mukārim al-Šayrāzī (geboren in 1926)

هذه الاختلافات مدعاة لمعرفة الناس

Aangezien iedereen afkomstig is van een gemeenschappelijke origine, heeft het geen zin dat de ene stam de andere minacht omwille van zijn herkomst. Allah heeft de stammen gecreëerd door hen karakteristieken en functies te verlenen zodat ze de organisatie van het gemeenschapsleven kunnen beschermen. Het verschil is een uitnodiging om de ander te ontdekken. (B. 13, p. 116)

 

Donald & Melania Trump luisteren naar een recitatie van de Koran (al-ḥuǧurāt 49, 13).
We zijn allen kinderen van Adam (begin van een conferentie).
Dit moslimmeisje en deze christelijke familie zullen jullie geloof in de mensheid opnieuw herstellen.
Locale islamitische student geeft "Hugs For Humanity".
Redneck Muslim | 2018 Online Film Festival | PBS

Toen de Allerhoogste land toewees aan elk volk en de mensen ieder hun deel gaf, bepaalde hij de grenzen voor alle volken naar het aantal nazaten van Israëluit één mens de hele mensheid heeft gemaakt, die hij over de hele aarde heeft verspreid; voor elk volk heeft hij een tijdperk vastgesteld en hij heeft de grenzen van hun woongebied bepaald. O mensheid, Wij hebben jullie geschapen uit een man en een vrouw en Wij hebben jullie tot volken en stammen gemaakt, opdat jullie elkaar leren kennen.
בהנחל עליון גוים בהפרידו בני אדם יצב גבלת עמים למספר בני ישראלἐποίησέν τε ἐξ ἑνὸς πᾶν ἔθνος ἀνθρώπων κατοικεῖν ἐπὶ παντὸς προσώπου τῆς γῆς, ὁρίσας προστεταγμένους καιροὺς καὶ τὰς ὁροθεσίας τῆς κατοικίας αὐτῶν,يَا أَيُّهَا النَّاسُ إِنَّا خَلَقْنَاكُم مِّن ذَكَرٍ وَأُنثَىٰ وَجَعَلْنَاكُمْ شُعُوبًا وَقَبَائِلَ لِتَعَارَفُوا
bə-han-ḥêl ‘el-yō-wn gō-w-yim,bə-hap̄-rî-ḏōw bə-nê ’ā-ḏām; yaṣ-ṣêḇ gə-ḇu-lōṯ ‘am-mîm, lə-mis-par bə-nê yiś-rā-’êl.Epoiēsen te ex henos pas ethnos anthrōpōn katoikein epi pantos prosōpou tēs gēs horisas prostetagmenous kairous kai tas horothesias tēs katoikias autōnyā-ˈayyuhā n-nāsu ˈinnā ḫalaqnākum min ḏakarin wa-ˈunṯā wa-ǧaʿalnākum šuʿūban wa-qabāˈila li-taʿārafū
Deuteronomium 32:8Handelingen 17:26Quran 49:13