Rabb

20 februari 2020

Ik wil het graag even met je hebben over de namen van God.

Waarom beginnen we niet met de oudste, degene die je meteen in de Koran vindt:

rabb, meestal vertaald als “de Heer”.

Laten we dat eens nader bekijken.

 

Zoals gewoonlijk beginnen we met het verwijderen van de klinkers. Dan hebben we nog R, B en B, dat ons bij het werkwoord rabba brengt, wat betekent dat je de leider bent of de macht uitoefent.

In soera 106, die historisch kan worden beschouwd als een van de oudste passages in de Koran,

zal je de formule rabb al-bayt vinden – de Heer des huizes. Het woord bayt, dat de plaats aanduidt waar iemand met zijn naasten verblijft, verwijst naar de Kaäba, gelegen in de buurt van de waterbron die Mekka’s bestaan heeft mogelijk gemaakt. De rabb van Mekka, de heer van Mekka, is de god die de Mekkanen toestaat om in hun stad te leven, maar de korte soera vertelt ons ook dat die God hun karavaantochten beschermt. Zij moeten die wel maken om zich te bevoorraden aangezien er geen landbouwproductie ter plaatse bestaat.

Stel je voor dat je dat moet doen, op het ritme van de stappen van de kameel, om iets te eten te krijgen op zeventig kilometer van Mekka, de berg op naar de stad Taif, gelegen op een hoogte van 1.800 meter, met de constante angst onderweg te worden aangevallen. Heen en terug was het een reis van minstens acht dagen. Dat is waarom soera 106 vers 4, ons vertelt: “De heer des huizes heeft de Mekkanen gespaard van honger en angst”.

Daarom wordt de Mekkanen gevraagd om alleen hem te aanbidden. Dit veronderstelt dat zij niet de drie vrouwelijke goden mogen aanroepen die ook werden vereerd in de tijd van Mohammed. De Koran spreekt over deze godheden in soera 53:19-20. Al-Oezza, de machtige, bevond zich in het oosten; de godin Al-Laat in Taif en Manaat, de godin van het lot, bevond zich dan weer op de weg naar de kust.

Je hebt het begrepen, de rabb geldt als enige beschermer van de Mekkanen, degene die Mohammed inspireert.

Maar wanneer de Koran het thema van de schepping behandelt, krijgt rabb als formulering rabb al-alamien, die meestal vertaald wordt als “de Heer der Werelden”. Een onnauwkeurige vertaling omdat in werkelijkheid al-alamien verwijst naar stammen of volkeren, zoals in Koran 81:27 “Dit – de openbaring – is een herinnering aan het volk”.

De term rabb blijft in gebruik in de hele Koran, in tegenstelling tot een andere godsnaam, Al-Rahmaan of de Weldoener, waarover we het een andere keer zullen hebben.

Rabb is een goddelijke naam die vaak wordt aangehaald want dit maakt het mogelijk om dichter bij God te komen. Wanneer iemand zegt rabbie (“mijn Heer”), introduceert dit een hechte relatie van de beschermeling naar de beschermer. Dat is niet mogelijk met de godsnaam Allah.

De woordstam rabb bestaat in andere Semitische talen en geldt voor wat geweldig is, zoals “de grote rivier” om te verwijzen naar de Eufraat. Dat is ook zo met het woord rabbijn, dat je in de Koran vindt in de vorm van al-rabbanieyoen, soera 5, vers 44.

 

 

De woorden uit de Koran door Prof. Jacqueline Chabbi, Historica van de islamitische wereld.