Allah

20 februari 2020

Laten we na Rabb en Rahmaan

onze reeks verderzetten over de godsnamen in de Koran.

Er is er een die meer dan 2500 keer aan bod komt.

Je kon het al raden: dit gaat over Allah.

 

In de Koran is Allah een eigennaam, maar zoals alle woorden in de Arabische taal heeft Hij ook een woordstam. Bij de woordontleding van Allah bestaat het probleem uit het lidwoord “al-” dat in het woord geïntegreerd is. Er blijven dus maar twee medeklinkers over: l en h. Wat moeten we dan doen?

De oplossing komt uit de welbekende formule: la ilaah illa llaah (“Enkel Allah is de godheid”). We vinden daar die ontbrekende letter en dat is de letter hamza die vooraan staat.

 Het is dus ilaah, een soortnaam die naar “een godheid” verwijst, die een eigennaam is geworden door de samentrekking met het lidwoord onder de vorm “Allah”. Omdat het een eigennaam is, net als bij al-Rahmaan, kunnen we er daarom geen bezittelijke vorm bijplaatsen. We kunnen niet zeggen “mijn Allah” zoals we bijvoorbeeld ook niet “mijn Rahmaan” konden zeggen. Misschien herinner je je wel dat dit daarentegen wel kon bij het woord rabb. We konden zeggen “rabbie“, mijn Heer. Dat was van toepassing op God maar evengoed kon de formulering rabb in een menselijke context worden gebruikt zoals in rabb al-bayt, en dat betekent “de heer des huizes”.

Maar nog voor de naam Allah in de Koran was aangewend, werd de goddelijke eenheid aangeduid met de term ilaah, zoals in Koran 37:4-5 “Voorwaar, jullie ilaah is één, de Heer van de hemelen, de aarde en wat er tussen beide is en de Heer van de horizonten.”

De Koran drukt die eenheid door in soera 51 vers 51 dat zegt: “Stel geen andere god bij Allah.” Er is dus geen enkele godheid buiten Hem die steun kan brengen aan de mensen. “Jullie hebben buiten God geen beschermer nog helper.” (Koran 42:31)

Zo neemt Allah de vitale functies op in de tribale gemeenschap: bescherming en ondersteuning bij alle gevaren die zich kunnen voordoen. Ik herinner je eraan dat de maatschappij van toen geen enkele ondersteunende staatsstructuur wist te brengen en dus botste in die situatie de solidariteit tussen de mensen op zijn limieten. Men verwachtte een goddelijke ondersteuning en de Koran bevestigt krachtig dat enkel de God-Schepper in staat is om daarin te voorzien. Niemand is daarbij met Hem bedrijvig (shariek) zoals we kunnen zien in Koran 17:111 “Lof zij God die geen kind verkregen heeft en die geen bondgenoot in de heerschappij bezit.”

In de gemeenschap van de profeet was de bemiddeling ook de meest aangewezen manier om zich van een conflict te ontdoen en te voorkomen dat het niet in geweld ontaardt. Ook daarin is het Allah, de God-Schepper, die de voorname functie van de bemiddeling op zich neemt, of dat nu op de aarde is of op het laatste oordeel wanneer men rekenschap moet afleggen van zijn daden. Zo zegt de Koran: “Bij Hem heeft de voorspraak ook geen nut, behalve voor wie Hij het toestaat.” (Koran 34:23)

Bovendien is het belangrijk om te weten dat de stam met de letters hamza + l teruggevonden wordt in het merendeel van de andere semitische talen alsook in het Hebreeuws, onder de meervoudsvorm elohiem.

We vinden de vorm el eveneens terug in vele persoonsnamen zoals bij Ismaël, wat betekent: El (God) heeft gehoord; of Gabriël, wat daar betekent: “El is mijn kracht”.

De woorden uit de Koran door Prof. Jacqueline Chabbi, Historica van de islamitische wereld.